Het politieke
denken van Chantal Mouffe
Patrick De Vos
Het
cordon sanitaire mag het VB (Vlaams Blok/Vlaams Belang) dan al
verhinderen om
aan het bestuur deel te nemen, de probleemstellingen, thema's en ideeën
van het
VB zijn uitgegroeid tot de common sense van het politieke denken in
Vlaanderen
en België. [1] In België is het VB daarmee het meest succesvolle
politieke
project van de voorbije 15 jaar; in heel Europa is het inmiddels de
sterkste
partij in haar soort geworden. Het oogst daarvoor aanzien in rechtse
kringen
over het hele continent.
Zoveel electorale voorspoed en
ideologische impact stemt tot nadenken over de manier waarop we nu al
jaren met
die partij omgaan. In dat verband is het vreemd dat een Belgische
politieke
theoretica die ons daarbij kan helpen, de in Londen docerende Chantal
Mouffe,
in haar geboorteland, waar de problematiek wellicht het acuutst is,
nagenoeg
onbekend blijft. Als coauteur (met Ernesto Laclau) van het in 1985
verschenen Hegemony and Socialist Strategy, en als
auteur van The Return of the Political
(1993), The Democratic Paradox (2000)
en On the Political (2005), geniet
zij bij een Anglo-Amerikaans, Latijns-Amerikaans, Frans en Duits
lectoraat
bekendheid om haar radicale en vernieuwende kijk op democratie.
Het werk
van Laclau en Mouffe vind je binnen de politieke en sociale
wetenschappen onder
de noemer postmarxisme: de recentste telg van de marxistische stamboom,
waarvan
ook de sociaal-democratie, althans in principe, nog altijd een tak is.
Laclau
en Mouffe zijn kinderen van hun tijd: ‘68-ers die met het
links-radicale denken
zijn opgegroeid. Mouffe ging meteen na haar studies in Leuven naar
Parijs om er
bij de structuralist-marxist Louis Althusser te studeren. Daarna trok
ze, als
velen van haar generatie, naar de derde wereld. In Columbia werd haar
al snel
duidelijk dat althusseriaanse concepten, om het minste te zeggen, maar
beperkt
bruikbaar waren.
Rond 1970 radicaliseerde ook de
Latijns-Amerikaanse studentenbeweging, aangemoedigd door de Cubaanse
revolutie.
Aan de Universiteit van Buenos Aires is de jonge marxist Ernesto Laclau
politiek erg actief. Maar met de dogma’s van het marxisme worstelde hij
toen
al. Onder invloed van het Peronisme wou hij het marxisme met iets
anders
vermengen. Met hun lezing van de Italiaanse marxist Antonio Gramsci
zullen
Laclau en Mouffe uiteindelijk breken met het essentialisme en
economisme van
marxisten als Althusser en Poulanzas. In hun postmarxisme integreren
zij de
liberale notie van individuele rechten. De sociale horizon van hun
politieke
project is een radicale en pluralistische democratie. Het moet de
doelstelling
van Links zijn om de Democratische Revolutie, die tweehonderd jaar
geleden
geïnitieerd werd, te verdiepen en uit te breiden naar steeds meer
gebieden van
het sociale leven, steeds meer maatschappelijke sferen. Dat is wat ze
bedoelen
met “de radicalisering van de democratie”.
Daarnaast
verwijderen Laclau en Mouffe het klassebegrip en de klassestrijd uit
het
marxisme. [2] De arbeidersklasse is niet langer de geprivilegieerde
agent van
de geschiedenis, en de strijd tegen het kapitalisme is niet
noodzakelijk acuter
dan die tegen racisme, seksisme of andere vormen van onderdrukking. Als
we
morgen alle kapitalistische productieverhoudingen afschaffen – voor
zover dat
al mogelijk is – dan zijn alle vormen van ongelijkheid en onderdrukking
nog
niet de wereld uit. [3] Wie de arbeider als geprivilegieerde politieke
actor
van de geschiedenis blijft zien, zal onder feministen of ecologisten
weinig
bondgenoten vinden. Hun politieke strijd is vanuit zo’n optiek immers
van
ondergeschikt belang. Laclau en Mouffe ontdoen het socialisme van deze
essentialismen en effenen zodoende het pad om het, samen met feminisme,
ecologisme, antiracisme, andersglobalisme enzovoort, tot een nieuw
links project
te articuleren. We spreken midden jaren ‘80 toen in de Britse context,
waar ze
inmiddels werkten, het thatcherisme pas goed op dreef kwam.
De liberale
democratietheorie
Historisch
gezien is onze democratie gegroeid uit de combinatie
van twee vormgevende principes. Ten eerste de zogenaamde rule-of-law,
die geassocieerd wordt met liberalisme, scheiding der
machten, individuele vrijheden en mensenrechten. Elke burger komen
onvervreemdbare, fundamentele rechten toe, die grondwettelijk verankerd
zijn,
en die de bescherming garanderen van de integriteit en de vrijheid van
het
individu. Deze ideeën passen in een liberale denktraditie die teruggaat
tot de
17de-eeuwse Engelse filosoof John Locke. “All men are born free and
equally
alike”, zei Locke: dat is hun natuurlijke staat.
Ten tweede is er
de notie van de volkssoevereiniteit, die geassocieerd wordt met
democratische
participatie, formele gelijkheid tussen burgers en het beslissen bij
meerderheid. Hier staat de gedachte centraal dat het volk zichzelf
bestuurt;
een gedachte die teruggaat tot de Griekse stadstaat en die in de
moderne tijd
terugkeert bij de 18de-eeuwse Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau.
Deze
twee principes vormen geen eeneiige tweeling. Tussen beide
heerst een onherleidbare spanning, die Mouffe “de democratische
paradox” noemt.
Er is bijvoorbeeld een spanning tussen het liberale principe van
individuele
rechten en de nood van elke democratische samenleving aan sociale en
politieke
eenheid. Niet-negotieerbare mensenrechten (liberalisme) beperken
onvermijdelijk
de volkssoevereiniteit (democratie), terwijl de in- en uitsluiting aan
de hand
waarvan bepaald wordt wie er wel en niet tot de demos behoort
(democratie) aan
de universele mensenrechten (liberalisme) noodzakelijk beperkingen
oplegt. Er
is immers geen garantie dat een democratische beslissing de individuele
rechten
en vrijheden niet op het spel zet.
Hoewel we vandaag
onder democratie, als vanzelfsprekend, liberale democratie verstaan,
gaat het
dus om een articulatie van twee verschillende tradities: de liberale
traditie
van individuele vrijheid en pluralisme, en de democratische traditie
van
volkssoevereiniteit en gelijkheid. Liberalisme is geen homogene
doctrine, maar
een amalgaam van principes: de rechtsstaat, individuele vrijheden en
rechten,
de erkenning van sociaal-politiek pluralisme, representatief bestuur,
de
scheiding der machten, limitatie van de staatsmacht, de kapitalistische
markteconomie. Democratie, van haar kant, ontstond als een vertoog over
volkssoevereiniteit, universeel stemrecht en gelijkheid.
In oorsprong
waren liberalisme en democratie oppositioneel, en had de term
democratie zelfs
een pejoratieve betekenis: de heerschappij van het gepeupel, en dus
chaos.
Beide beginselen werden voor het eerst samen gearticuleerd in de 19de
eeuw, wat
er op den duur voor gezorgd heeft dat het liberalisme gedemocratiseerd
en de
democratie geliberaliseerd werd. Dit gebeurde door een opeenvolging van
politieke conflicten, waarbij de ene traditie telkens weer haar
suprematie over
de andere wil doen gelden. Lange tijd werd dat conflict als legitiem
beschouwd;
pas in de voorbije decennia werd het als achterhaald van de hand
gewezen. Maar
volgens Mouffe bestaat er tussen de liberale principes van pluralisme,
individualisme en vrijheid, en de democratische principes van eenheid,
gemeenschap en gelijkheid, nog altijd een aanhoudende spanning, die in
de
huidige democratische theorie en praktijk verwaarloosd wordt. Het is
deze
onoplosbare spanning die de democratie levendig houdt en het primaat
van de
politiek garandeert, zegt Mouffe.
Traditioneel
wordt democratie door de liberale theorie opgevat als
een aggregatie van belangen. Dit model werd in de voorbije decennia wat
verdrongen door het model van de deliberatieve democratie, dat politiek
ziet in
ethische en doorgaans universele termen, en dat verdedigd wordt door
onder
anderen Jürgen Habermas, John Rawls en Ronald Dworkin. Volgens hen is
de
democratische samenleving gericht op de creatie van een rationele
consensus,
die bereikt wordt aan de hand van deliberatieve processen die
tegemoetkomen aan
de belangen van iedereen. Een
beslissing is democratisch wanneer, na het voeren van een redelijke
deliberatie, tussen álle betrokkenen een overeenstemming wordt bereikt.
In dit
denken domineren consensus en compromis, verkregen door rationele
argumentatie
en overtuiging.
Kenmerkend voor
het individualistisch rationalisme van deze liberale
democratieopvatting is het
onvermogen om de specifieke aard van het politieke, en de formatie van
politieke identiteiten die daarmee gepaard gaat, ten gronde te
begrijpen. De
idee van een perfecte consensus – of een harmonieuze collectieve wil,
zoals bij
Rousseau – wijst Mouffe als gevaarlijk van de hand. [4] Het liberale
pluralisme
wordt gekenmerkt door eindeloze conflicten tussen verschillende opinies
en
opvattingen inzake de ‘correcte’ interpretatie van vrijheid en
gelijkheid. Het
is deze aanhoudende onenigheid die mensen opdeelt in vrienden en
vijanden. Als
liberale denkers het collectieve karakter van de politieke strijd, die
door het
pluralisme bevorderd wordt, niet zien, dan komt dat door hun
individualistische
opvatting van politiek, als het rationeel nastreven en onderhandelen
van
individueel eigenbelang.
Net
als Carl Schmitt (1888-1985) voert Chantal Mouffe de differentia
specifica van het politieke
terug op het onderscheid tussen vriend en vijand; oftewel tot de altijd
aanwezige mogelijkheid van vijandelijkheid in intermenselijke relaties.
Mouffe
zegt niet dat alle sociale relaties noodzakelijk antagonistisch zijn,
maar dat
de mogelijkheid van conflict en vijandigheid in elke relatie op elk
moment
aanwezig is. Het politieke heeft altijd te maken met conflict en
antagonisme,
het gaat altijd gepaard met de formatie van een ‘wij’ versus een ‘zij’.
In de
discourstheorie van Laclau en Mouffe heet dit equivalentielogica: het
opdelen
van de sociale ruimte door betekenissen en identiteiten te comprimeren
tot twee
antagonistische polen.
Antagonisme is
het sleutelwoord om de vorming van politieke identiteit te begrijpen.
Anders
dan de traditionele notie van sociaal antagonisme – dit is een
confrontatie
tussen sociale agenten die reeds beschikken over een volledig
ontwikkelde
identiteit – beweren Laclau en Mouffe dat antagonismen juist voorkomen
omdat
wij, als sociale agenten, niet bij machte zijn onze identiteit volledig
te
ontwikkelen. Zij steunen daarvoor in hoofdzaak op de lacaniaanse
psychoanalyse
en de derridiaanse notie van een constitutieve buitenkant, als
voorwaarde voor
de constructie van elke identiteit. Eenvoudig gesteld: een antagonisme
ontstaat
wanneer de aanwezigheid van ‘de Andere’ mij verhindert om volledig
mezelf te
zijn. [5] Deze blokkade is een wederzijdse ervaring. [6] Antagonismen
onthullen
niet alleen het tekort aan identiteit van sociale agenten, zij geven
vorm aan
de sociale werkelijkheid als zodanig. Sociale formaties worden gevormd
aan de
hand van antagonistische relaties, waardoor zich tussen sociale agenten
politieke breuklijnen vestigen en verschillende identificaties vorm
aannemen.
[7]
Een democratie
behoort pluraal te zijn. Op dat punt is Mouffe het eens met de liberale
theorie. Zij betwist evenmin dat een plurale democratie een minimale
consensus
vereist over gemeenschappelijke ethisch-politieke principes. Maar
consensus
alleen volstaat niet. Zij is slechts het resultaat van een
onderhandeling die
telkens weer gevoerd moet worden. In de liberale democratieopvatting
ligt de
focus op het resultaat van consensus, die bereikt wordt door rationele
compromisvorming tussen subjecten met een stabiele en
gepreconfigureerde
identiteit. Politiek wordt als een neutraal terrein gezien waarop
verschillende
groepen strijden om politieke macht. De politiek is als een schaakspel
waarvan
de spelregels en limieten vastliggen. Voor Mouffe daarentegen, gaat het
er juist
om de regels van de politiek te herschrijven. Het politieke terrein is
niet
neutraal. Het is in zekere zin de inzet van politieke strijd; in die
strijd
zelf wordt het terrein gevormd of hervormd.
Liberalism
forever!
Sinds
de val van de Berlijnse Muur domineert het in oorsprong
thatcheriaanse denkbeeld dat er voor de huidige
liberaal-kapitalistische
wereldorde geen alternatief bestaat. Het failliet van het reëel
bestaande
socialisme betekende de definitieve overwinning van het kapitalisme en
de liberale
democratie: dat was de these van Francis Fukuyama, de Amerikaanse
politicoloog
en adviseur van Ronald Reagan. [8] Het liberalisme had die overwinning
volgens
hem te danken aan het feit dat het zowel op het materiële vlak
(kapitalistisch
marktmechanisme) als op het niet-materiële vlak (individuele erkenning)
een
maximale bevrediging biedt. Uit een hegeliaanse analyse van de
geschiedenis
haalt Fukuyama het ‘bewijs’ voor de afwezigheid van samenhangende
alternatieven
voor het liberalisme. De geschiedenis, als voortdurende strijd tussen
politieke
ideologieën en statenstelsels, heeft haar eindtermen bereikt:
“liberalism
forever!”
Het einde van de
geschiedenis is een wat filosofische uitdrukking die staat voor het
einde van
de politiek, en Fukuyama was niet de eerste die deze stelling
verdedigde. Om te
beginnen was er Hegel zelf die in 1806, na de overwinning van Napoleon
in de
slag bij Jena, verklaarde dat de geschiedenis aan haar einde was
gekomen. Begin
jaren ‘60 initieerde de Harvardsocioloog Daniel Bell het debat over het
einde
van de grote ideologische conflicten. In de welvarende samenlevingen
van het
westen, aldus Bell, is de voorraad aan politieke ideeën uitgeput en
zijn
ideologische vraagstukken irrelevant geworden. Er is een brede
ideologische
consensus ontstaan, met als gevolg dat politieke partijen enkel nog om
de macht
strijden door hun electoraat meer welvaart te beloven. Volgens Bell
zegevierde
het economische dus ook over het politieke. Maar de heropleving van
politiek-ideologische tegenstellingen en de politieke radicalisering
van mei
‘68 haalden zijn these onderuit.
De clou bij dit
soort politieke eschatologie is de volgende. Politieke ideologieën zijn
supra-individuele denkvormen waardoor sociale actoren en
groupe zin en richting geven aan hun maatschappelijk bestaan. Ze
zijn naast descriptief altijd ook normatief. Ze willen vormgeven aan
(toekomstige) sociale verhoudingen en bijgevolg zijn ze op handelen
gericht.
Elke politieke ideologie heeft de ambitie sociaal te interveniëren (decision making) of zo’n interventie te
verhinderen (non-decision making).
Deze toekomstgerichtheid vereist een sociale horizon (of sociale
utopie) die
het resultaat belooft te zijn van dat politieke project.
Elke politieke
ideologie houdt dus de belofte in dat ze, met de realisatie van haar
project,
een eind zal maken aan de politiek. Het was Friedrich Engels die de
stelling
van Claude Henri de Saint-Simon overnam dat het heersen over mensen in
de
klassenloze maatschappij – de sociale horizon van het socialistische
project –
plaats zal maken voor het beheer van zaken. “Goed bestuur”, zeggen we
vandaag.
En het was de Italiaanse nationalist Giuseppe Mazzini (1805-1872) die
stelde
dat, als elke natie, separaat en distinct, een volwaardige organische
eenheid
zal zijn, er geen reden meer is voor onderling conflict. Macht en
geweld zijn
nodig om de oude orde aan de kant te zetten, maar eens de wereld
volgens de
nationalistische doctrine van één taal, één volk en één natie geordend
zal
zijn, wordt oorlog overbodig. [9]
Elk
politiek project belooft dat, met de volledige realisatie van
haar utopie, politiek overbodig wordt. Het is in die geest van het
einde der
tijden en het laatste oordeel dat Fukuyama de superioriteit van de
liberaal-democratische staatsordening en van het kapitalistisch
economisch
systeem als bewezen proclameert. Nochtans was zijn these onder meer op
feitelijke onjuistheden gebaseerd. Niet het liberalisme ‘pur sang’ had
de Koude
Oorlog overleefd, maar een gemengd model dat het laisser-fairebeginsel
van de vrije
markt compenseert door staatstussenkomst, regulatie en herverdeling. In
de
moderne geschiedenis heeft er nooit een volledig vrije markt bestaan,
en dit
geldt zelfs voor die landen waar het politieke liberalisme op dat
moment
hoogtij vierde: het Amerika van Reagan en Bush Senior en het Engeland
van
Thatcher en Major. Alle sterke, geïndustrialiseerde landen zijn sterk
geworden
door een mix van laisser faire en staatsinterventie. Ook hier zien we
dat het
principe van de vrije markt op gespannen voet staat met de democratie:
de markt
genereert ongelijkheid, die vervolgens door staatsinterventie
gecompenseerd
wordt. Op dat punt is er geen finale, rationele consensus mogelijk. Het
economisch liberalisme is een moderne theorie van de ongelijkheid,
zoals de vertegenwoordigende
democratie een moderne theorie van de gelijkheid is. Het dispuut over
de juiste
verhouding tussen markt en staat is inherent aan de
liberaal-democratische
samenleving. [10]
Wat een radicale
democratie à la Laclau en Mouffe onderscheidt van de moderne politieke
projecten, is dat ze niet van een realiseerbare telos
uitgaat, maar van het besef dat elk sociaal project
onvolmaakt en conflictueel zal blijven. Het streven naar een volledig
democratische maatschappij, waarin alle mensen volledig vrij zijn omdat
ze
volledig gelijk zijn, en vice versa, veronderstelt een volledige
transparantie.
Het veronderstelt een samenleving zonder spanningen en repressie, die
dus alle
conflicten onderdrukt. [11] Zo’n harmonieuze democratie zou een
totalitaire nachtmerrie
zijn. Bij Laclau en Mouffe wordt de mogelijkheid om het finale doel te
realiseren verlaten, zelfs als louter regulatief idee. Er is trouwens
geen
reden om dat te betreuren. Integendeel, het is de garantie dat het
democratisch-pluralistisch proces aan de gang blijft. Het is door de
liberale
rechten samen met volkssoevereiniteit te articuleren, dat we vermijden
dat de
democratie tiranniek wordt. Een ideale, vrije en gelijke democratische
samenleving is er noodzakelijk een zonder pluralisme, want pluralisme
veronderstelt dat de sociale orde en haar machtsrelaties kunnen worden
gecontesteerd. Een samenleving zonder machtsrelaties (het einde van de
politiek) is evenmin mogelijk, want het zijn precies de machtsrelaties
die de
sociale orde constitueren. Laclau en Mouffe vertrekken dus van een
niet-reduceerbare, pluralistische sociale orde; en dit betekent dat de
finale
sociale orde nooit bereikt wordt. Niet alleen de individuen verkeren in
de
onmogelijkheid om hun identiteiten te finaliseren; ook de samenleving
als
zodanig is nooit af.
Politiek
zonder ware tegenstanders
Dit
plurale en onvoltooibare van elke samenleving wordt door de
consensuspolitiek van het centrum verdoezeld; en het is tegen die
achtergrond
dat we volgens Chantal Mouffe het succes van rechts-populistische
partijen
kunnen begrijpen. In nagenoeg dezelfde periode waarin het VB in
Vlaanderen
opgang maakt, bewegen de traditionele partijen naar het centrum, en
claimen
daar de zogenaamde Derde Weg. Toen New Labour op 1 mei 1997 de Britse
verkiezingen
won, nam het toenmalige BRTN-journaal de proef op de som. Het vroeg de
partijvoorzitters van de drie grootste Vlaamse partijen, onafhankelijk
van
elkaar, om commentaar te geven bij deze gebeurtenis. Eén voor één
verklaarden
ze op dezelfde lijn te zitten als Tony Blair: de christen-democraten
vonden dat
ze altijd al de gulden middenweg van Blair hadden bewandeld; de
liberalen
zegden dat zij, net als Blair, de grote politieke vernieuwers van hun
generatie
waren; en de sociaal-democraten zagen in de verkiezingsoverwinning van
Blair
een bevestiging van de vernieuwingsbeweging in heel de Europese
sociaal-democratie.
De ideologische
tegenstellingen tussen de gevestigde partijen is in de loop van het
laatste
decennium alsmaar kleiner geworden, waardoor het steeds moeilijker is
om
partijen en politici in hun optreden en standpunten te onderscheiden.
Ideologische beginselen boeten aan belang in, terwijl politiek
pragmatisme en
consensuspolitiek op de voorgrond treden. In de consensuspolitiek van
het
centrum, zegt ook de Sloveense filosoof Slavoj Zizek, moet elke
fundamentele
belangentegenstelling plaats ruimen voor een vrijmoedig geloof in een
politiek
zonder ware tegenstanders, en zonder enige subversiviteit. [12] Eens beyond left and right lossen sociale
tegenstellingen vanzelf op en bieden er zich politieke oplossingen aan
die
kennelijk voor iedereen goed zijn. Bij gebrek aan een reële politieke
strijd,
onderscheiden politieke partijen zich enkel nog door culturele
attitudes. De
politieke strijd wordt herleid tot een belangencompetitie op neutraal
terrein,
met als enige doel het bereiken van compromissen en het aggregeren van
voorkeuren. Om fundamentele belangenconflicten te omzeilen, weigert men
om
duidelijke politieke grenzen te trekken. Daarmee wordt de integratieve
rol van
conflict in de moderne democratie genegeerd. [13]
Want het
specifieke van een democratie schuilt niet zozeer in haar formele
procedures –
zoals verkiezingen of de parlementaire stemrondes – maar in haar
erkenning van
de legitimiteit van sociaal conflict, en haar afwijzing van de
autoritaire
onderdrukking ervan. [14] Democratie is meer dan een populariteitspoll.
Wat een
samenleving werkelijk democratisch maakt, is dat ze plaats ruimt voor
de
expressie van conflicterende belangen en waarden; of anders gezegd, dat
zij de
voorwaarden schept die antagonistische confrontatie mogelijk maken.
Alleen dan
leeft die democratie. Het onvermogen om dat in te zien, zegt Mouffe, is
zonder
meer de belangrijkste tekortkoming van de consensuspolitiek. De reële
keuzemogelijkheid die een democratie haar burgers behoort te bieden, is
als
gevolg van het sacraliseren van de consensus in feite verdwenen.
Daardoor
kunnen belangrijke politieke sentimenten niet meer worden uitgedrukt
binnen het
democratische systeem. Naast de nieuwe liberale orde is er geen plaats
voor een
debat over mogelijke alternatieven; er is geen ruimte voor andere
identificatiemodellen waarrond mensen kunnen worden gemobiliseerd. En
daardoor
winnen andere vormen van politieke identificatie terrein: vormen die
met de
democratie nauwelijks verzoenbaar zijn – zoals rechts-extremisme en
religieus
fundamentalisme. [15] Het succes van populistisch rechts, zegt Zizek,
is de
prijs die de linkerzijde betaalt voor het verloochenen van elk radicaal
politiek project en voor het aanvaarden van het kapitalisme als een
fait
accompli. [16]
Dienen
we de kritiek van Chantal Mouffe op te vatten als een
ultieme oproep om het cordon sanitaire in Vlaanderen dan toch maar op
te
doeken? Dat valt te betwijfelen. Waar het Mouffe om te doen is, is
laten zien
wat het ons heeft opgeleverd, om daaruit conclusies te trekken. Het
probleem is
overigens niet dat mensen uit zijn op conflict omwille van het
conflict. Het
probleem is dat, door het gebrek aan een sociale horizon, bepaalde
sentimenten
geen uitdrukking vinden binnen het democratisch spectrum. Deze
sentimenten
moeten democratisch gemobiliseerd worden; en daarvoor moeten de
democratische
partijen een sociale horizon projecteren die mensen uitzicht biedt op
een
andere en betere toekomst.
De opkomst van
extreem-rechts heeft voor Mouffe dus in eerste instantie te maken met
het
gebrek aan hoop dat het democratisch systeem ons vandaag biedt. Als
mensen niet
langer geïnteresseerd zijn in politiek, of hun toevlucht nemen tot
intolerante
en fundamentalistische groeperingen, dan komt dat in hoofdzaak omdat de
democratische partijen hen te weinig solide alternatieven bieden. Het
liberale
consensusdenken verhindert dat we de rol van non-rationele factoren –
zoals
sentimenten, dromen, passie, fantasie, verlangen, ontgoocheling en hoop
– goed
begrijpen. Mouffe beschouwt deze individueel verankerde motivaties als
een
drijvende politieke kracht. “I had a dream”, zei Martin Luther King.
Hij zei
niet dat hij een oplossing had bedacht, een rationele consensus die het
conflict van de baan zou helpen. Rationalisme is altijd ook een
obstakel om de
conflictuele aard van de politiek te begrijpen.
De Amerikaanse
socioloog Immanuel Wallerstein vroeg zich ooit af waarom de armen het
tolereren
dat de rijken rijker worden, terwijl zijzelf armer worden. [17] Volgens
hem
hebben zij dat de voorbije twee eeuwen voornamelijk getolereerd omdat
zij
geloofden dat er hoop was, en omdat zij verwachtten dat hun situatie
zou
verbeteren, dankzij politieke mechanismen zoals de sociaal-democratie
en de
welvaartsstaat. Maar hoop is niet alleen wat de armen nodig hebben.
Hoop is
altijd verbonden met iets wat afwezig is, en die absentie is iets wat
we
allemaal, in een of andere vorm, ervaren.
De notie van hoop
is bij Chantal Mouffe verbonden met die van menselijke emancipatie. Als
we ons
als mens beknot voelen in onze potentiële ontwikkeling, creëren we een
soort
toekomstbeeld waarin we die limitaties overstijgen. In een situatie van
radicale wanorde en machtswillekeur, bijvoorbeeld, wordt de
voorstelling van
een ordelijke maatschappij een sociale utopie. Zo’n denkbeeld, waaruit
we hoop
putten, geeft richting aan ons streven. Hoop is wat onze sociale
horizon voedt.
Die hoop is onuitroeibaar; maar zij kan op verschillende manieren en in
verschillende richtingen gemobiliseerd worden. Wanneer de democratie er
zelf
geen ruimte voor schept, door fundamentele dissensus toe te laten, dan
zal zij
zich uiten op een negatieve manier: als een proteststem bijvoorbeeld,
een stem
tégen de afwezigheid van hoop.
Het verwaarlozen
van de antagonistische dimensie in de politiek, zorgt ervoor dat die
hoop zich
naar de rand van het politieke spectrum verplaatst. Dat is de
belangrijkste
oorzaak van de opkomst van extremistische groeperingen. En dit lijkt
meteen ook
de kern van Mouffes boodschap. De aantrekkingkracht van extreem-rechts
is dat
het wél een sociale horizon biedt, terwijl de gevestigde partijen doen
alsof er
geen fundamenteel alternatief mogelijk is. Maar omdat de sociale
horizon van extreem-rechts
geen plaats voor pluralisme biedt, bedreigt zij de liberale democratie
en biedt
zij ook geen ‘hoop’ in de ware zin van het woord – de zin die Mouffe
eraan
geeft. Mouffe ziet in de huidige politieke situatie een democratisch
deficit:
een samenleving die verstoken blijft van een dynamisch democratisch
leven, met
reële confrontaties rond een diversiteit van effectieve alternatieven,
legt het
terrein voor andere vormen van identificatie rond etnische, religieuze,
nationalistische en soortgelijke problematische claims; claims waarmee
het
democratisch systeem uiteindelijk slecht gediend is. [18]
Noten
1
Zie Jan Blommaert, Blokspraak,
in: De Witte Raaf nr. 114,
maart-april 2005, pp. 1-3.
2 Ellen M. Wood, The Retreat from Class: the
New ‘True Socialism’, London, Verso,
1986, p. 4.
3 Ernesto Laclau & Chantal Mouffe, Hegemony
and Socialist Strategy: Towards a
Radical Democratic Politics, London, Verso, 1985, p. 192.
4 Chantal Mouffe, Radical Democracy or
Liberal Democracy, in: Socialist Review, vol. 20
(2), 1990, pp. 58-59.
5 Laclau & Mouffe, op. cit. (noot 3),
p. 125.
6 David Howarth & Yannis Stavrakakis, Discourse
Theory and Political Analysis,
in: David Howarth, Aletta J. Noval & Yannis Stavrakakis (red.), Discourse Theory and Political Analysis:
Identities, Hegemonies and Social Change, Manchester, Manchester
University
Press, 2000, p. 10.
7 David Howarth, Discourse Theory and
Political Analysis, in: Elinor Scarbrough
& Eric Tanenbaum (red.), Research
Strategies in the Social Sciences: a Guide to New Approaches,
Oxford,
Oxford University Press, 1998, p. 276; Howarth & Stavrakakis, op.
cit. (noot
6), p. 11.
8
Francis Fukuyama, Het
einde van de geschiedenis en de laatste mens, Amsterdam, Contact,
1992.
9 Peter J. Taylor, Political Geography:
World-Economy, Nation-State and Locality,
Harlow, Longman Scientific & Technical, 1993, p. 206.
10
Siep Stuurman, Het begin
van de toekomst, in: Vrij Nederland,
9 oktober 1999.
11 Jacob Torfing, New Theories of Discourse:
Laclau, Mouffe and Zizek, Oxford,
Blackwell, 1999, p. 258.
12
Slavoj Zizek, Wat is het
fijn om tegen Haider te zijn, in: Nieuw
Wereldtijdschrift, vol. 17 (3), april 2000, pp. 43-45.
13 Chantal Mouffe, The Democratic Paradox,
London, Verso, 2000, pp. 113-116.
14 Chantal Mouffe, The
Radical Centre: a Politics Without
Adversary, in: Soundings,
nr. 9, zomer 1998, p.
13.
15 Chantal Mouffe, 10 Years of False Starts,
in: New
Times, 9 november 1999.
16
Zizek, op. cit. (noot 12), pp. 43-45.
17
Immanuel Wallerstein, geciteerd in: Bart Tromp, Het
systeem kraakt, in: De Groene Amsterdammer, 3
december 1997.
18
Chantal Mouffe, op. cit. (noot 14),
p. 13.