Het onvermijdelijke museum
Over Topologie der Kunst van Boris Groys
Rudi Laermans
1.
In de loop van de tweede helft van de jaren negentig,
met uitlopers na de millenniumwende, voerde Thomas Knoefel meerdere lange
gesprekken met Boris Groys. Ze verschenen in 2002 onder de licht enigmatische
titel Politik der Unsterblichkeit en
bieden een goed inzicht in het mentale universum van een van de toonaangevende
Europese kunstdenkers. [1] De uitdrukking ‘kunstdenker’ is niet meteen
ingeburgerd, maar ze past allicht nog het beste bij Groys’ intellectuele omgang
met de hedendaagse beeldende kunst. Groys schrijft wel degelijk met enige
regelmaat over het werk van individuele kunstenaars. Het gaat echter in de
regel om beschouwende essays, eerder dan toegespitste kunstkritieken of
uitdiepingen van een oeuvre. Ze gaan ook haast altijd over relatief gevestigde,
zo niet gecanoniseerde kunstenaars: Jeff Wall, Richard Prince, Ilya
Kabakov... [2] Of Groys nu van hen één enkel kunstwerk of een reeks werken
bespreekt, steevast betrekt hij ze op een meer algemene problematiek met een
doorgaans sterk filosofische inslag. Toch is Groys evenmin een kunstfilosoof.
Hij mag dan grossieren in vaak stellige uitspraken over het hedendaagse
kunstbedrijf, niettemin heeft hij géén afgeronde visie op de kunst sinds
Duchamp. Bovendien situeert hij zijn eigen denken haast nooit binnen de
kunstfilosofische traditie en haar actuele uitlopers, die Groys overigens goed
kent. De titel van het boek Kunst-Kommentare,
waarin hij een aantal van zijn kunstenaarsgerichte essays heeft bijeengebracht,
typeert daarom het best de verhouding tussen Groys’ opstellen en de werken of
oeuvres die hij beschrijft. [3] Kunstwerken geven te denken, ze resoneren
binnen de mentale klankkast genaamd ‘Boris Groys’. Het resultaat zijn
intellectuele melodieën die met het besprokene wel en niet te maken hebben,
erop ingaan maar er ook los van staan. Wanneer Groys kunstwerken
becommentarieert, mondt dat inderdaad niet uit in kunstcommentaren, wel in
kunst-streepje-commentaar. De gedachten zingen zich gedurig los van de concrete
artistieke aanleidingen, ze gaan hun eigen weg en komen daarom geheid uit bij
thema’s die in meer algemene zin het denken bezighouden.
Hoe
gaat dat juist in zijn werk? In Topologie
der Kunst, Groys’ meest recente bundel, zitten enkele korte essays die
eerder in tentoonstellingscatalogi verschenen. [4] Ze handelen over werk
van Douglas Gordon, Beat Streuli en Fischli & Weiss. Gordons installaties
leest Groys als een “inleiding in de heterochronie”, in de “radicale
heterogeniteit tussen mathematische tijd en levenstijd”. Gordon manipuleert de
filmtijd op zo’n manier dat de kijker zich bewust wordt van de indifferentie
van de mechanische tijd tegenover eigen ervaringen en belevingen, aldus Groys.
In Streuli’s dia- en video-installaties ziet hij iets analoogs gebeuren. De
gedurige opeenvolging van beelden van mensen in urbane settings zorgt voor een
homogenisering, een herhalingseffect dat de eerst nog individueel beleefde
kijktijd in een lege tijdsduur verandert. In Fragen Projektionen, de bekende dia-installatie van Fischli &
Weiss, herkent Groys dan weer de alledaagse neiging om onbeantwoordbare
metafysische vragen te stellen: “hoe zie ik eruit?”, “wat voor mens ben ik
eigenlijk?”, “ben ik een zonderling?”, “moet ik onderduiken?”… Hij besluit het
essay met een meer algemene bedenking, die meteen ook de kerngedachte uit de
twee vorige opstellen over Gordon en Streuli oprekt. De conclusie raakt aan het
besproken werk, maar springt daar ook vlot overheen: “Die Kunst von heute
scheint die Unendlichkeit neu entdeckt zu haben. Es handelt sich dabei
allerdings keineswegs um die Wiederauflage der romantischen Ästhetik des
Erhabenen – um die Vision einer Unendlichkeit, die im starken Kontrast zur
menschlichen Endlichkeit steht, die über den Menschen plötzlich wie ein Sturm
hereinbricht oder sich ihm wie die Schweizer Berge in den Weg steht. Eine
solche gewaltsame, heterogene, unmenschliche Unendlichkeit ist die Sache
Fischli und Weiss nicht. Vielmehr thematisieren sie die Unendlichkeit, die
Hegel seinerzeit als schlechte Unendlichkeit bezeichnet […] hat. […] Diese
Unendlichkeit ist unromantisch – sie ist vielmehr bürokratisch. Es handelt
sich um die Unendlichkeit eines Projekts des Immer-Weiter-Lebens, das niemals vollendet,
sondern nur verlassen werden kann.” [5]
Groys
formuleert bijzonder helder, zelfs nogal eens op het spitante af, en houdt zich
verre van de gangbare ‘filosofemen’ uit het actuele kunstdiscours, genre ‘het
Reële’, ‘de/het Andere’ of ‘identiteit en differentie’. Zijn intellectuele
pirouettes rond individuele werken of kunstenaars leveren geen irritant,
zelfgenoegzaam proza op. Groys is een kunstdenker, en vooral een ‘zelfdenker’,
daarvan getuigt ook het citaat van daarnet: dat verhoudt zich indirect tot het
afkalvende discours over het sublieme, maar Groys is het in de eerste plaats om
het poneren van een éigen idee te doen. Dat is een bewuste keuze, zelfs een
strategie. Zoals hij in een van de gesprekken met Knoefel uitlegt, bedrijft
Groys letterlijk een “politiek van de onsterfelijkheid”. Hij wedijvert met de
Grote Namen, en hij wil met zijn geschriften even onsterfelijk worden als zij.
Hegel en Kant, Kierkegaard en Wittgenstein, het zijn Groys’ naaste
concurrenten, en tegelijkertijd degenen door wie hij had willen gelezen worden.
Dan ligt het uiteraard nogal voor de hand om afstand te houden tegenover
tijdgenoten of, al blijft dat in Groys’ werk uitzonderlijk, zich enkel met de
meest invloedrijke te meten. [6] Groys hanteert kortom consequent een langetermijnvisie,
ook trouwens in zijn ‘kunst-commentaar’. Zijn denken is niet verkleefd met de
actualiteit, maar opereert met een oneigentijds perspectief op de eigen tijd en
bezigheden. Daarbij komt de prestatiedruk niet van de markt of, à la Bourdieu,
van de andere bewoners van een cultureel veld. Want niet de levenden maar de
doden regeren en fungeren als culturele ijkmaat, ja als te kloppen meesters.
Tegelijkertijd staat ook het denken en publiceren van Groys zélf in het teken
van de dood, aangezien hij zonder blikken of blozen op onsterfelijkheid mikt.
Of zoals hij tegen Knoefel zegt: “Was ich unter Genuss verstehe, ist die
Möglichkeit, nachdem man ein Grab gebaut hat, darin ruhig zu liegen und dieses
Grab zu geniessen, noch bevor man tot ist.” [7]
2.
Groys heeft zijn persoonlijke ‘politiek van de
onsterfelijkheid’ in een meer algemene zin onderbouwd, en zo ook trachten te
legitimeren, via de ondertussen zeer en
vogue geraakte notie van het archief. In Über das Neue, het boek waarmee hij na het brisante Gesamtkunstwerk Stalin definitief naam
maakte, betoogt Groys dat de moderne cultus van het nieuwe in culturele
productievelden niet zonder historische vergelijkingen kan. [8] Het nieuwe
oogt pas vernieuwend in het licht van ‘het oude’, datgene wat ooit innovatief
was, maar het al lang niet meer is. Daarom kunnen culturele innovaties, zoals
artistieke of filosofische, enkel worden vastgesteld aan de hand van archieven
die het verleden bewaren en documenteren. In de sfeer van de kunst is het
museum uiteraard het prototypische archief. Groys beschouwt het museum primair
als een historisch depot dat het artistieke verleden in materiële zin bijhoudt
en zo een vergelijkingsbasis biedt om in het heden het werkelijk nieuwe van
pseudo-innovaties of letterlijke historische citaten te onderscheiden. In de
kunst is het nieuwe daarom in wezen een
afgeleide van het museale, want zonder museumcollecties valt het gewoonweg
niet te herkennen. Die stelling heeft Groys na de publicatie van Über das Neue gedurig hernomen; ze duikt
ook meermaals in zijn recentste essaybundel op. Zo maakt hij in het opstel Das Museum im Zeitalter der Medien een
scherp onderscheid tussen de historisch lege tijd van de actualiteit – het
nieuws, de mode – die de massacultuur ritmeert, en de op het archief
gebaseerde observatie van artistieke vernieuwingen. “Und das bedeutet: Unsere
heutigen Museen sind Maschinen nicht allein zur Sammlung, sondern zur
Herstellung der Gegenwart mittels der Unterscheidung zwischen alt und neu,
identisch und different,” aldus Groys. “Es verhält sich nicht so, dass der
Prozess des Kunstschaffens zunächst in den Medien stattfindet, um dann in der
musealen Sammlung repräsentiert zu werden. Vielmehr erkennen wir eine Kunst als
eine aktuelle, gegenwärtige, d.h. ‘wirkliche’ Kunst erst dadurch, dass wir
merken, dass diese Kunst noch nicht gesammelt, noch nicht museal repräsentiert
wurde. Nicht die Wirklichkeit ist primär – und ihre museale Repräsentation
sekundär, sondern die museale Sammlung entscheidet darüber, was hier und jetzt
als wirklich, aktuell, gegenwärtig gelten darf. Und das bedeutet: Das Museum
der Gegenwartskunst produziert erst die Kunst der Gegenwart, indem es
definiert, was noch nicht gesammelt – und damit ‘gegenwärtig’
ist.” [9]
Conform
een inmiddels welbekende poststructuralistische these – Lacan formuleerde
haar als eerste met verve in zijn Écrits –
gaat de betekenaar vooraf aan de betekende. De betekenis of boodschap van een
talige mededeling is een performatief effect van de aaneenschakeling of
‘verketening’ van betekenaren binnen zinnen, paragrafen enzovoort. Dat lijkt
logisch, tenslotte valt de betekenis van de zin die u bezig bent te lezen
moeilijk los te haken van vorige én nog komende woorden en zinnen, van al
neergeschreven en nog aan te maken inscripties of betekenaren. Groys past dit
inzicht op de moderne en hedendaagse kunst toe – de uitdrukking
‘postmodern’ bezigt hij overigens bijna nooit – en concludeert dat het
nieuwe in de kunst een observatie-effect
is van de vergelijking met museale verzamelingen. Bovendien, en dat was het
hele punt van Über das Neue, gaat van
het archief tevens een performatieve, zelfs performante druk om te vernieuwen
uit. Verzamelingen van moderne of actuele kunst verbieden om wat al gedaan of
gemaakt is klakkeloos te herhalen. Wie dat doet, verkleint immers de eigen
artistieke kansen op onsterfelijkheid of musealisering. Deze vaststelling
fundeert ook Groys’ persoonlijke denk- en schrijfpolitiek. Hij wil als auteur
herinnerd worden en probeert daarom ánders te denken en te schrijven over kunst
dan de auteurs die van het officiële filosofische archief deel zijn gaan
uitmaken. Een van de ideeën die hij daartoe inzet, is precies de these dat het
nieuwe een afgeleide van het oude, het hedendaagse de performatieve uitkomst
van het al gearchiveerde is. Met deze stelling kan Groys, in gestandaardiseerde
Bourdieutaal, alvast in het heden een groot distinctieprofijt of symbolisch
kapitaal claimen. Ze druist immers in tegen de gemeenplaats dat de moderniteit
in het teken staat van geheugenloosheid en amnesie, van een constante
vernieuwingsdrang die zich spiegelt aan wat in het heden de toon zet en zich
uitsluitend daarvan wil onderscheiden. Die laatste logica herkent Groys wel
degelijk binnen de media (het nieuws) en de massacultuur (de mode). Dan hebben
we het echter over de tijdseconomie van de actualiteit, niet over de
innovatieve cultuureconomie van de kunst of het denken.
Hoe
overtuigend is Groys’ archiefmodel, in theoretisch opzicht en als diagnose van
de actuele kunstwereld? Wat dat laatste betreft valt op dat Groys zich nogal
onzeker toont. Een eerdere essaybundel van hem, Logik der Sammlung, had als ondertitel Am Ende des musealen Zeitalters. [10] Dat ruikt naar een
geschiedenis van neergang en verval, maar zo’n perspectief ligt de nuchter
denkende Groys niet écht. In Topologie
der Kunst continueert hij dan ook meestal de basisintuïties uit Über das Neue. Kunst is hedendaags
dankzij een waarneembaar verschil met wat in de museale verzamelingen van
‘hedendaagse’ kunst zit; daarzonder is er gewoonweg geen nieuwe kunst die
contemporain kan heten en als zodanig ook verzamelbaar is. Maar onder meer in
het slotopstel Kapital. Kunst.
Gerechtigkeit schiet het betoog plots een heel andere kant op en kondigt
Groys met veel stelligheid inderdaad het ‘einde van het museale tijdperk’ af.
Dat gaat zo: “Die Zeiten sind definitiv vorbei, in denen die Kunst in erster
Linie für diejenigen gemacht wurde, die diese Kunst am besten verstehen
konnten, weil sie in ihrem eigenen Kopf das grösst-mögliche Archiv an Vergleichsmöglichkeiten
hatten. Die heutige Kunst braucht keine Hermeneutik – diese stört nur,
weil sie im Ruf steht, die Kunst schwieriger, unzugänglicher und
anspruchsvoller zu machen, als sie es eigentlich sein soll. Statt dessen
braucht die heutige Kunst allein die Konsumenten, deren hermeneutisches
Vermögen gegen Null tendiert. […] Dabei werden übrigens nicht nur berüchtigte
Kunstinsider, sondern im Grunde alle real existierenden Leser und Zuschauer vom
heutigen Kunstsystem ungerecht und slecht behandelt, weil sie alle das ein oder
andere persönliche Archiv an Erinnerungen im Kopf haben – und vom Ideal
des absolut archivlosen unbekannten Konsumenten immer noch zu weit entfernt
sind.” [11] Deze klacht klinkt bekend en bezit ongetwijfeld enige
plausibiliteit. Groys kan ze echter niet van een context voorzien omdat hij het
archief verwart met een sociaal of cultureel geheugen. [12]
Voor
Groys, daarover laat hij nergens twijfels bestaan, is een archief een
verzameling van materiële relicten uit het verleden. Een museum is dus
effectief een collectie van artefacten, een depot van schilderijen, sculpturen,
installaties en dergelijke. Die materialistische omschrijving – Groys
beschouwt ze overigens zelf als een marxistische echo – negeert het
verschil tussen het bewaarde en het getoonde. Dat evidente onderscheid
doet ertoe, want ieder museum van zowel oude als hedendaagse kunst ziet zich
verplicht tot selectiviteit in de publieke ontsluiting van de eigen collectie.
Die is immers altijd veel omvangrijker dan wat de museumzalen kunnen bevatten.
Elk museum maakt dan ook voortdurend een onderscheid tussen wat wel en niet het
tonen waard is. Hét archief, in de materialistische betekenis van depot,
verschilt daarom van het publiek toegankelijke of observeerbare archief. Er
zijn de kunstwerken die voorlopig worden vergeten en in het depot blijven, en
er zijn de artistieke artefacten die een museum het herinneren waard vindt en daarom exposeert. Precies dat
verschil tussen vergeten en herinneren is de basisoperatie van ieder geheugen.
In een museum is het afleesbaar aan het onderscheid tussen het bewaarde en het
getoonde, de eigen verzameling in toto
en de uitgestalde collectie. Dat verschil wordt doorlopend gemaakt, en daarvoor oriënteren museumverantwoordelijken zich doorgaans
op een canon. Ze kunnen daar uiteraard van afwijken en het kunstgeheugen
proberen te vernieuwen; maar ook dan veronderstellen ze het bestaan van een
geconsacreerde geschiedenis, een dominant collectief bewustzijn van wat er in
het artistieke verleden wel of niet toe deed. Dat soort historisch bewustzijn
veronderstelt ook Groys in de slotbeschouwingen van Topologie der Kunst. Zijn archiefnotie kan deze selectiviteit
echter niet thematiseren: daarvoor is ze te breed en negeert ze al te sterk de betekenisgeladen omgang met ieder
archief, die in het teken staat van een gemotiveerd vergeten en herinneren van
al wat materieel wordt bewaard en bijgehouden. Over de ‘goede redenen’ die men
daarbij hanteert valt te twisten, en dat gebeurt vandaag ook steeds vaker. De
recente culturele identiteitspolitiek en, breder, de stilaan dominante
anti-elitaire elitecultuur van politieke correctheid zorgen ervoor dat elk
sociaal of cultureel geheugen potentieel een arena vormt waarbinnen
uiteenlopende claims over wat wel en wat niet het herinneren waard is, met
elkaar botsen. Maar daar is Groys opvallend blind voor. Zijn ‘politiek van de
onsterfelijkheid’ is geen politiek:
zijn dodenrepubliek is een machtsvrije zone, zonder strijd over te vergeten en
te herinneren filosofen of kunstenaars. Die strijd kan enkel dankzij archieven
worden gevoerd, zoveel is zeker, maar die strijd grijpt ook op de archieven in.
Verzamelen musea soms niet vooral wat ‘wij’ thans het tonen of het herinneren
waard vinden? Bovendien verschilt het heden van de toekomst – ik laat dit
punt verder onbesproken, maar toch: dat morgen misschien een ánder verleden dan
het huidige zal worden gewaardeerd, valt evenmin goed te rijmen met Groys’
materialistische en daarom neutrale archiefnotie.
3.
Topologie der Kunst: de titel kondigt een oefening in geografisch
materialisme aan, en dat is dit boek deels ook. In de ongepubliceerde, allicht
dus achteraf geschreven inleiding, tracht Groys het posthistorische museum
alsnog te denken ‘voorbij’ de archiefnotie waar hij in andere essays op
terugvalt. Daartoe veralgemeent hij het installatiebegrip, en wel vanuit de
vaststelling dat thans culturele goederen ofwel circuleren richting verbruiker,
ofwel vastzitten en daarom geïnteresseerden tot beweeglijkheid verplichten. In
het eerste geval, dat van het verbreidings- of netwerkregiem, komen beelden,
geluiden, teksten en goederen de huiskamer binnen. De menselijke verplaatsing
beperkt zich dan tot een bezoek aan verkoopsruimtes waar draagbare
cultuurgoederen worden verhandeld (maar niet altijd, denk aan de openbare
bibliotheek of mediatheek). Liveconcerten, theateropvoeringen of
tentoonstellingen mobiliseren daarentegen de potentiële geïnteresseerden.
Vandaar dat het commerciële verbreidingsregiem rond verkoopscijfers draait: de
winkel- of websitepassanten die niets kopen, komen niet in de boekhouding voor
en blijven letterlijk quantité négligable.
In het culturele mobilisatieregiem worden de bezoekersaantallen juist wel
nauwkeurig bijgehouden. Dit onderscheid in impactmeting, zo speculeert Groys,
is misschien nog het enige steekhoudende criterium om lage van hoge cultuur te
onderscheiden. Dat is een nogal boude bewering – tenslotte betalen
kunstparticipanten immers in de regel een entreegeld. Maar passons, want Groys interesseert zich in de eerste plaats voor de
nieuwe status van het museum binnen het huidige mobilisatieregiem (die term
gebruikt hij overigens niet zelf). Het verlies van de historische functie
proberen musea voornamelijk te compenseren door de eigen collecties zo
inventief mogelijk te bespelen, los van canonieke of kunstwetenschappelijke
criteria. Volgens Groys verruilt het museum daarmee zijn rol van publiek
archief voor de status van tijdelijke installatie, die dan een groot of minder
groot aantal mensen weet te mobiliseren. Met deze interpretatie veralgemeent
Groys het installatiebegrip nadrukkelijk tot een soort artistiek supermedium.
Daar valt wel iets voor te zeggen. In de gangbare betekenis kan een installatie
immers heel uiteenlopende mediale dragers tot één geheel combineren: objecten,
videobeelden, foto’s, teksten, schilderijen… Nogal wat installaties zijn
minitentoonstellingen binnen een grotere expositie. Het omgekeerde is volgens
Groys dus eveneens waar. Deels door de inburgering van de curatorformule lijkt
een toenemend aantal museale exposities op veelomvattende macro-installaties,
met of zonder conceptuele onderbouwing en discursieve omkadering. Daarbij wordt
in de regel vrijelijk uit het depot geput; maar Groys stelt vooral belang in de
immobiliserende kracht van de installatie als algemeen medium. “Die
Installation zeigt gerade die Materialität der Zivilisation, in der wir leben,
denn sie installiert alles das, was
in unserer Zivilisation sonst bloss zirkuliert,”
aldus Groys. “Die Installation demonstriert somit die zivilisatorische
Hardware, die sonst hinter der Oberfläche der medialen Zirkulation unbemerkt
bleibt.” [13]
Nu
oogt het materiële karakter van het museum als installatie nogal dunnetjes,
want het gaat om weinig meer dan haar ruimtelijkheid.
Daar is het Groys echter precies om te doen in deze essaybundel, die niet
toevallig de titel Topologie der Kunst
draagt. “Strenggenommen können wir nur über Kunstorte – nicht über
Kunstwerke – sprechen,” zo heet het in het openingsessay. [14] Deze
categorie is in het meervoud geformuleerd, maar Groys verengt haar zonder tekst
of uitleg tot het museum. Andere kardinale kunstplekken, zoals de galerie en de
kunsthal, blijven in zijn essays volledig buiten beeld. Zonder dat met zoveel
woorden te zeggen, maakt Groys bovendien twee volstrekt verschillende
plaatsbepalingen van het museum aan. De eerste herneemt de archiefnotie en
definieert het museum als een bewaarplek van relicten uit het verleden, een
omschrijving die zoals gezegd het verschil tussen archief en geheugen, tussen
bewaren en tonen negeert. Juist die laatste activiteit, en dus het museum als
tentoonstellingsplek, staat centraal in Groys’ tweede karakterisering van de
museale ruimte als installatiemedium. Deze omschrijving is duidelijk een constructie
achteraf, blijft daarom onuitgewerkt en parasiteert in sterke mate op het
algemene onderscheid tussen verbreidings- en mobilisatieregiem, abstracte
netwerkruimte en plekgebondenheid. Maar belangrijker is dat Groys’ dubbele
plaatsbepaling uit elkaar haalt wat in historisch perspectief lange tijd bij
elkaar hoorde. Als nieuwe culturele ruimte was het moderne, negentiende-eeuwse
museum van meet af aan een paradoxaal oxymoron dat archiveren en
tentoonstellen, bewaren en ontsluiten, in één enkel instellingsmodel
verenigde. [15] Deze twee functies verwijzen naar uiteenlopende tijden,
het verleden respectievelijk het heden. Bovendien impliceren ze twee
verschillende sociale referenties. Het bewaren gebeurde tot voor kort in naam
van de mensheid, de natiestaat, de kunstgemeenschap, terwijl het tonen zich op
een abstract collectief – op ‘het publiek’ – richt. Deze temporele en
sociale verschillen bleven echter onzichtbaar zolang het museum binnen een
‘historicistische’ elitecultuur lag ingebed. [16] Daarbinnen kon het
verleden, zoals de gearchiveerde geschiedenis van een volk, het heden
collectief beleren. In het historicistische regiem bestond er dan ook altijd
een minimale continuïteit tussen vroegere en latere gebeurtenissen, ook bij
geobserveerde breuken of discontinuïteiten. Juist daarom waren de twee museale
functies complementair. Het museum bewaarde het verleden met het oog op het
heden, en exposeerde in het heden ‘de lessen van het verleden’. Kortom, binnen
de context van een historicistische cultuur kon het museum effectief als een
cultureel en sociaal geheugen functioneren. Die context is echter al enige tijd
bezig te verdampen. Daardoor botsen binnen het museummodel de bewaar- en de
toonfunctie steeds meer met elkaar. [17] Het thans toonaangevende discours
over cultureel erfgoed tracht de spanning alsnog toe te dekken, maar moet wel
de claim opgeven dat het verleden zich op een pedagogische – belerende,
instruerende, informerende – manier tot het heden verhoudt. Het koppelt de
bewaring en ontsluiting van relicten uit het verleden primair aan hun
ervaarbaarheid en legitimeert zo de naadloze inschakeling van historische musea
in de huidige beleveniseconomie. [18] Groys noteert deze evolutie, maar
hij doet dit vanuit een dualistische visie, die het museum eerst verengt tot de
bewaarfunctie (het archief), en het vervolgens laat imploderen in de
toonfunctie (de tentoonstellingsruimte als installatiemedium). Dat is tweemaal
discutabel, en vooral is het een weinig waarschijnlijke interpretatie, die
nauwelijks een antwoord biedt op de vraag hoe thans een museum voor hedendaagse
kunst op een hedendaagse manier met kunst kan of moet omgaan.
Eén
zaak staat voor Groys wél vast: het museum is een plek met een aura. Het
betovert, ja is een magische transformator. Volgens Groys verandert alles wat
in een museum wordt getoond per definitie in kunst – daarom juist doen
kunstwerken er minder toe dan kunstplekken. Die stelling beargumenteert
Groys in het essay Die Topologie der Aura,
en hij doet dat natuurlijk met verwijzing naar Walter Benjamins beroemde opstel
over Het kunstwerk in het tijdperk van
zijn technische reproduceerbaarheid. Het verschil tussen origineel en
reproductie, aldus Groys, wordt gemaakt door het ‘hier en nu’ of de
plaatsgebondenheid van een artefact. Beelden zijn er in duizendvoud, maar enkel
de schilderijen, sculpturen, foto’s en video-installaties die zich ergens
bevinden, bezitten ook de aura van een origineel. Dit ‘ergens’ is voor
Groys nog maar eens op een vanzelfsprekende manier het museum, niet de galerie
of de kunsthal of een over meerdere ruimtes verspreide biënnale. “Die
Unterscheidung zwischen Original und Kopie ist allein eine topologische und
situative – und zwar gleichermassen in beide Richtungen,” zo concludeert
Groys. “Und das bedeutet: Alle im Museum plazierten Dinge sind Originale
– auch und gerade wenn sie sonst als Kopien zirkulieren. Kunstwerke im
Museum sind Originale aus einem sehr einfachen topologischen Grund: Man muss
ins Museum gehen, um sie zu sehen. Das Museum ist – vor allem anderen –
[…] ein Ort der Aura, der profanen Erleuchtung.” [19] Of die laatste
uitspraak zich effectief verankerd weet in Benjamins beschouwingen, valt te
betwijfelen. Maar belangrijker dan die vraag is Groys’ veronderstelling dat het
museum louter als plek een mediale
werking heeft die alle artefacten kan transformeren in originelen en kunst. Dit
ruimtelijke materialisme negeert, weerom, het bestaan van immateriële
symbolische kaders. Groys’ definitie van het museum als een louter depot van
materiële artefacten, zo betoogde ik reeds, is blind voor het betekenisgeladen
onderscheid tussen wat wel en wat niet wordt bijgehouden enerzijds, tussen wat
wel en wat niet wordt getoond anderzijds. Maar ook de auratische impact van een
museale opstelling, en a fortiori de transformatie van bijvoorbeeld
massaculturele artefacten tot artistieke originelen, brengt een symbolisch
supplement met zich mee. Op de institutionele kunsttheorieën van Arthur Danto
of George Dickie en de veldbenadering van Pierre Bourdieu valt ongetwijfeld
heel wat af te dingen, maar Danto en Dickie hebben gewoonweg gelijk wanneer ze
het belang van geïnstitutionaliseerde conventies en contexten benadrukken voor
het gedurig onderscheiden van wat (hedendaagse) kunst is. [20] Het museum
is zo’n primair symbolische context met definitiemacht. Het gaat daarbij
helemaal niet om de museumzalen als zodanig, wel over het onzichtbare vermogen van tentoonstellingsmakers om bindend te
beslissen wat daarbinnen wel of niet zichtbaar wordt. Deze symbolische macht,
dat heeft Bourdieu dan weer terecht beklemtoond, teert in laatste instantie op
een gedeeld – maar niet al te wijdverbreid – geloof in zowel de Kunst
als haar beheerders. [21] Men moet kortom al een hele of halve
kunstgelovige zijn, wil de museale toonzaal überhaupt een auratische werking
krijgen. Zonder dat geloof is een tentoonstellingszaal simpelweg banaal.
Groys’
redenering overtuigt nog om een andere reden niet. Ze veronderstelt een
radicale tweedeling tussen het verbreidings- en het mobilisatieregiem: de mediale
netwerkruimte aan de ene kant en plaatsgebonden artefacten aan de andere. Dat
onderscheid relativeert Groys enkel voor het internet. Want binnen het World
Wide Web, aldus Groys, hebben alle tekens, woorden en beelden een eigen adres.
Deze gesitueerdheid creëert bovendien een altijd specifieke afhankelijkheid van
hard- en software, dus van onverwisselbare materiële condities. Echter, een
internetadres is enkel een symbolische plek, de hardheid van technische
artefacten (zoals programma’s) verschilt van de ontvankelijkheid van musea en
andere gebouwen. De vergelijking met de materiële ruimtelijkheid van het museum
loopt dus mank, en ze verduistert vooral cruciale vormen van verwevenheid
tussen de mediale netwerkruimte en museale plekken. Groys zegt het zelf niet
hardop, maar via Benjamins typering van de aura als een effect van het ‘hier en
nu’ verbindt hij de magie van het museum in feite met de temporele en
ruimtelijke aanwezigheid van
artefacten. Museumzalen zijn in Groys’ visie presentatieplekken waar artefacten
een verhoogde ‘presentie’ krijgen, als het ware méér gaan leven, omdat ze daar
live of in situ kunnen worden
genoten. Dat is geen materialistische opvatting, maar – om met Derrida te
spreken – een pure “metafysica van de aanwezigheid”. Zeker als het over
musea en tentoonstellingen van hedendaagse kunst gaat, komt zo’n ontologische
optiek bijzonder vreemd over. Hedendaagse kunst is immers almaar meer actuele kunst geworden vanwege de sterk
toegenomen vervlechtingen met het mediale actualiteitsregime. Deze
‘mediatisering’ is ook Groys niet onbekend, getuige het eerdere citaat waarin
hij de gestage verdwijning van de historisch geïnformeerde kunstliefhebber ten
faveure van de archiefloze consument gispt. Merkwaardig genoeg brengt dit hem
echter niet op de gedachte dat ook museale tentoonstellingsplekken
‘gemediatiseerd’ (kunnen) zijn. Het blijven natuurlijk altijd ook materiële
ruimten, maar zowel hun design als de getoonde objecten staan onder de verschijningsdruk van de massamedia. Die
zorgt binnen almaar meer musea voor artistieke schijngestalten – voor
tentoonstellingen en kunstwerken die zich niet aan een concrete plek, maar aan
de mediale netwerkruimte committeren. Ze willen aandacht, jawel, maar
– met een gechargeerde formulering – minder van reguliere bezoekers
dan van journalisten en cameraogen. Dit effect van ‘buiten’ op ‘binnen’, van de
netwerkruimte op concrete plekken, kan men alleen negeren door zoals Groys
strikt vast te houden aan een topologische omschrijving, die het museum als tentoonstellingsplek
richting aanwezigheidsontologie duwt. Zoveel stelligheid siert de auteur van Topologie der Kunst. Maar of ze ook
overtuigt?
4.
Groys ziet de hedendaagse beeldende kunst als een
verre uitloper van de avant-garde. Die term neemt hij in zijn essaybundel
nergens apart. Maar ook zonder nadere bepalingen is het duidelijk dat Groys de
avant-garde vereenzelvigt met de figuren van Kandinsky en Malevich enerzijds,
en Duchamp en Warhol anderzijds. Met deze dubbele historische verankering
sporen in Topologie der Kunst twee
verschillende omschrijvingen van de inzet van het twintigste-eeuwse
avant-gardisme. Het opstel Im Namen des
Mediums: Kunst und Politik der Avantgarde zoomt in op de eerstgenoemde
traditie, in het bijzonder de denkbeelden van Kandinsky. Zoals de titel al
aangeeft, ontvouwt het essay de stelling dat de avant-garde ‘in naam van het
medium’ spreekt. Zo beschouwde Kandinsky materiële vorm- en kleurcombinaties
als hét medium van alle schilderkunst, ook de figuratieve. Deze abstrahering maakte
dat medium zichtbaar en dwong daarmee tot een volstrekt nieuwe kijk op de héle
geschiedenis van de schilderkunst. Ze verplichtte tot een andere archivalische
blik en eiste dat vergelijkingen tussen ‘vroeger’ en ‘nu’ vertrokken vanuit de
nieuwe mediale waarheid van de abstracte schilderkunst. Spreken ‘in naam van
het medium’ is dus een hard, ja totalitair waarheidsspreken. Voor Groys vormt
het een gerede aanleiding om een levensgroot vraagteken te plaatsen bij iedere
technische interpretatie van de notie ‘medium’. “Vielmehr ist der Begriff
Medium ein strategischer, ein politischer und, wenn man so will, ein
kämpferischer – und kein rein technischer Begriff. Wer das Medium
bestimmt, in dem ein Zeichen angesiedelt ist, der entscheidet auch darüber, in
welchen Vergleich, in welchen Kontext dieses Zeichen gestellt wird.” [22]
Dat is een hoogst interessante denkpiste. Consequent doordacht, impliceert ze
echter ook dat Groys’ reeds aangehaalde typering van de installatie als een
supermedium een strategisch manoeuvre is. Of krijgt het mediumbegrip enkel een
polemische lading binnen de context van de artistieke avant-garde? Wat er
verder ook van zij, Groys’ karakterisering van de avant-garde als een discours
van mediale representatie met monopolistische aanspraken, sluit nauw aan bij Clement
Greenbergs beroemde definitie van het modernisme. Groys claimt die definitie,
zonder dat alweer hardop te zeggen, voor de Russische avant-garde en geeft er
tegelijkertijd een politieke wending aan. Deze stelling legt overigens meteen
ook dé blinde vlek binnen het gangbare modernismediscours bloot – met name
het ‘Amerikanistische’ etnocentrisme ervan, dat in de geschriften van linkse
Greenbergianen à la Rosalind Krauss ternauwernood wordt gecorrigeerd. [23]
De meeste essays in Topologie der Kunst gaan uit van een heel ander avant-gardebegrip.
Groys distilleert het uit de inaugurale act – het woord performance is
hier geenszins overdreven – van Marcel Duchamp. Met diens Fountain werd de hedendaagse kunst
readymade. Kant-en-klare objecten, ook industriële of massaculturele, konden
voortaan voor Kunst doorgaan. Volgens Groys is dat niet zozeer een kwestie van
behoedzaam zoeken en verlicht vinden. Het objet
trouvé is een object approprié;
zich dingen toe-eigenen is de elementaire basishandeling van iedere
doordeweekse verbruiker of consument. Duchamp zorgde zo voor een heuse
artistieke paradigmawisseling. Kunst is na Duchamp niet langer een zaak van
kunde, zelfs niet van produceren. De hedendaagse kunstenaar keurt en kiest,
zijn auteurschap komt neer op het publiek zichtbaar maken van een
aristocratische smaak in de omgang met ‘al wat is’. “Der Künstler […] ist zum
vorbildlichen Betrachter, Konsumenten und Verbraucher geworden, der die Dinge
betrachtet, begutachtet und ‘aufnimmt’, die von anderen produziert werden,”
aldus Groys. “Der innovative Künstler ist heute nicht einer, der neue Dinge
produziert, sondern einer, der bestimmte, immer schon bekannte Dinge ästhetisch
reizvoll und interessant findet, die anderen vielleicht langweilig und uninteressant
erscheinen.” [24] Uit deze treffende typering spint Groys in meerdere
essays interessant garen. Zo merkt hij op dat sinds de figuur van Warhol de
consumerende kunstenaar ook marktgevoeliger werd, en dat in een dubbele zin. De
avant-gardist à la Warhol wil zélf ook graag geconsumeerd worden en heeft
daarom een scherp oog voor de heersende consumptievoorkeuren. Deze looping
tussen kunst en massacultuur bereikt volgens Groys in de huidige kunst een
ongekend hoogtepunt. Enerzijds zijn er almaar meer kunstconsumenten. Zij kiezen
en keuren uit wat kunstenaars hebben gekozen en goedgekeurd. Het contemporaine
kunstgebeuren is daarom een vorm van dubbele metaconsumptie: kunstenaars
consumeren wat wij consumeren, en wij consumeren wat zij consumeren. Anderzijds
komt dat consumentisme nogal wat kunstenaars bijzonder goed uit. Zij eigenen
zich objecten, beelden en tekens uit de alledaagse leefwereld toe en etaleren
hun keuzes. Het waarom van hun selectie kunnen ze echter in het ongewisse laten
– want de kunstconsument maakt zelf wel uit ‘wat hij ervan vindt’. Men is
dus wel en niet auteur, men affirmeert wel en niet de verantwoordelijkheid voor
het eigen kunstenaarschap. Dat is een gemakkelijke want weinig riskante
positie. Maar er wordt ook een prijs voor betaald; want feitelijk is ieder
‘artistiek voorstel’ – die uitdrukking alleen al – een soort van marktonderzoek,
een plebisciet dat angstig doet uitkijken naar het gevelde publieksoordeel.
Groys trekt uit deze observaties de voor de hand liggende, zij het ook allicht
té radicale conclusie dat de kunstenaar-als-consument en de kunstconsument
inwisselbare posities zijn. “Jeder Betrachter wird, indem er selektiert,
nämlich seinerseits zum Künstler – und hört somit auf, ein Betrachter zu
sein,” zo schrijft hij in het inleidende essay Kunstwerk und Ware. “Wer selektiert, wird im Sinne des
Readymade-Verfahrens zwangsweise als Künstler positioniert. Wer über Kunst
urteilt, wird als Künstler beurteilt. Jeder is heute dazu verurteilt, ein
Künstler zu sein, denn keiner kann es vermeiden zu selektieren.” [25]
De
voorlopige uitkomst van de veralgemening van de readymadestrategie situeert
Groys, terecht, in de sfeer van videokunst en fotografie. In deze kunstvormen
worden geen alledaagse objecten, maar vaak banale beelden van banale situaties
tot bezienswaardig gepromoveerd. Vooral de hedendaagse kunstfotograaf is dé
artistieke evenknie van de flanerende consument, die op het ritme van zijn
idiosyncratische voorkeur en afkeer kiest, keurt en koopt. Maar de fotograaf is
behalve een narcistische consument van omgevingsbeelden ook een voorbeeldige
bureaucraat, zo betoogt Groys in het essay Das
Versprechen der Photographie. Fotografische opnames worden bijgewerkt en
geredigeerd, net als dossiers, en tevens netjes geordend, tot series
gecombineerd, of simpelweg verticaal geklasseerd. De fotograaf met artistieke
ambities is een zelfbewuste consument, en tegelijkertijd een manager van het
eigen beeldverbruik. Hij schiet spontaan, ‘vanuit de buik’, en vervolgens
beheert hij met het oog op publieke bijval dat intuïtieve voyeurisme. Het neemt
allemaal niet weg, aldus Groys, dat de artistieke inburgering van de fotografie
een terugkeer van het figuratieve beeld inluidde. In het schilderen stierf dat
een langzame dood, waarna het decennia later alsnog een tweede leven kreeg
dankzij de foto (en natuurlijk ook dankzij film en video). “Rückblickend lässt
sich vielleicht sagen, dass der langsame Übergang vom malerischen zum
photographischen Bild das eigentliche Kunstereignis dieses Jahrhunderts war,
wobei, wie bei jedem bedeutenden Wechsel, im Endeffekt alles beim alten blieb.
Durch den Medienwechsel wurde das ‘normale’, traditionelle Bild gerettet und in
die neue historische Zeit transportiert. Die Photographie unserer Tage leistet
in der Tat alles das, was im neunzehnten Jahrhundert die Malerei geleistet hat
– worauf aber die Malerei später selbst verzichtet hat.” [26] Dat is
weerom een gedurfde bewering van het soort waar Groys een patent op heeft.
Nu
zijn sweeping statements eerder regel
dan uitzondering in beschouwingen over hedendaagse kunst. Maar bij Groys is er
meer aan de hand. Hij is zoals gezegd een ‘zelfdenker’, iemand die de vinger
aan de intellectuele pols houdt, maar de eigen hartslag verkiest boven het
ritme van de actualiteit. Groys kent de gangbare clichés en verhoudt zich er
ook toe – door er zich impliciet tegen af te zetten. En tegelijk lijkt hij
te grossieren in nog algemenere clichés. Dat de fotografie de retour van het
klassieke beeld inluidt, dat kunstliefhebbers én kunstenaars in loutere
consumenten veranderden, dat het museum een magische plek is – lees het,
en je knikt instemmend. Groys denkt fenomenaal, figuurlijk en letterlijk: hij
verandert de lopende kennis van de beeldende kunstwereld, dat ‘wat we allemaal
al wisten’, in een expliciet weten. Daardoor worden meer dan eens de zwakke
plekken in het als evident ervarene zichtbaar – of juister: observeerbaar.
Zo ligt het voor de hand om het museum als een archief op te vatten. Groys
denkt deze schijnbaar vanzelfsprekende idee echter zo lijnrecht door dat ze
welhaast per definitie onwaarschijnlijk wordt. Misschien ligt het gewoon aan
zijn opleiding als logicus en wiskundige, maar Groys heeft een merkwaardig
talent om schijnbaar simpele observaties tot ‘dichte beschrijvingen’ om te
munten door er de consequenties van te tonen. Misschien vindt hij die zelf af
en toe ook onhoudbaar? Groys’ afgekoelde denken suggereert immers meer dan eens
dat het niet meer is dan een experimenteren met gedachten, een verkennen van
intellectuele mogelijkheden. Dat resulteert ook in Topologie der Kunst in een opvallend neutraal spreken over de
wereld van de hedendaagse beeldende kunst. Groys doet vaststellingen die vaak
evident klinken – maar dan zonder de ontelbare moraliserende voetnoten uit
het modale kunstdiscours. Dat bijvoorbeeld de kunstenaar in een consument is
veranderd, verontrust hem geen moment. Groys noteert het, en hij denkt er
vooral de gevolgen bij, zonder negatieve of positieve gevoelens. Deze
afstandelijke toon doet weldadig aan te midden van de zee van uitroeptekens en
vraagtekens bij het actuele kunstgebeuren. Groys is een koele kunstminnaar,
eerder een observator dan een gedreven liefhebber. Daardoor voelt hij zich
nooit bedrogen door de hedendaagse kunst, wat alvast op klaagzangen bespaart.
Groys groeide op in ‘het reëel bestaande socialisme’ en beschrijft met een
arendsblik ‘het reëel bestaande kunstkapitalisme’. Op de inhoud van zijn
beschrijvingen valt vaak het een en ander af te dingen – zie hierboven.
Maar de neutrale toon ervan, hun gevatheid en constaterende teneur blijven een
ongeëvenaard voorbeeld van esthetische ascese.
Noten
[1] Boris
Groys, Politik der Unsterblichkeit. Vier
Gespräche mit Thomas Knoefel, München/Wenen, Carl Hanser Verlag, 2002.
[2] Met
Kabakov had Groys ook een lange tweespraak, die in boekvorm is gepubliceerd:
Ilya Kabakov & Boris Groys, Die Kunst
der Installation, München/Wien, Carl Hanser Verlag, 1996.
[3] Boris
Groys, Kunst-Kommentare, Wien,
Passagen Verlag, 1999.
[4] Boris
Groys, Topologie der Kunst,
München/Wien, Carl Hanser Verlag, 2003.
[5] Ibid.,
pp. 114-115.
[6] Zie in
het bijzonder het tweede deel van Boris Groys, Unter Verdacht. Eine Phänomenologie der Medien, München/Wien, Carl
Hanser Verlag, 2000, pp. 117-228. Daarin staat Groys uitvoerig stil bij
het werk van Claude Lévi-Strauss, Jacques Derrida en Jean-François Lyotard
(maar die laatste is ondertussen ook al ‘een dode auteur’, net als de twee
andere besproken Franse denkers, Marcel Mauss en Georges Bataille).
[7] Groys,
op. cit. (noot 1), p. 51.
[8] Zie
respectievelijk Boris Groys, Über das
Neue. Versuch einer Kulturökonomie, München/Wien, Carl Hanser Verlag, 1992
en Gesamtkunstwerk Stalin. Die gespaltene
Kultur in der Sowjetunion, München/Wien, Carl Hanser Verlag, 1988.
[9] Groys,
op. cit. (noot 4), p. 184.
[10] Boris
Groys, Logik der Sammlung. Am Ende des
musealen Zeitalters, München/Wien, Carl Hanser Verlag, 1997.
[11] Groys,
op. cit. (noot 4), p. 287.
[12] Over de
begrippen ‘sociaal geheugen’ en ‘cultureel geheugen’ is de laatste jaren
bijzonder veel gepubliceerd. Mijn kanttekeningen zijn deels geïnspireerd door
Jan Assmann, Das kulturelle Gedächtnis.
Schrift, Erinnerung und politische Identität in frühen Hochkulturen,
München, Verlag C.H. Beck, 1999, en vooral door de systeemtheoretisch
georiënteerde beschouwingen van Elena Esposito, Soziales Vergessen. Formen und Medien des Gedächtnisses der
Gesellschaft, Frankfurt am Main, Suhrkamp, 2002.
[13] Groys,
op. cit. (noot 4), p. 27.
[14] Ibid., p. 23.
[15] Zie hierover bijvoorbeeld Tony Bennet, The Birth of the Museum, London/New
York, Routledge, 1995.
[16] Over
het negentiende-eeuwse historicisme, zie vooral Stephen Bann, The Clothing of Clio. A Study of the Representation of History in
Nineteenth-Century Britain and France, Cambridge, Cambridge
University Press, 1984 en idem, The
Inventions of History. Essays on the Representation of the Past, Manchester,
Manchester University Press, 1990.
[17] Vergelijk
Karsten Schubert, The Curator’s Egg. The Evolution of the Museum Concept from the French
Revolution to the Present Day, London, One-Off Press, 2000.
[18] Dat de
erfgoednotie met het modern-klassieke geschiedenisbegrip breekt, wordt
uitgebreid ‘betreurd’ in: David Lowenthal, The
Heritage Crusade and the Spoils of History, Cambridge, Cambridge University
Press, 1996. Voor een meer afstandelijke diagnose, zie Barbara
Kirshenblatt-Gimblett, Destination Museum,
in: idem, Destination Culture. Tourism, Museums, and Heritage,
Berkeley/Los Angeles/London, University of California Press, 1998, pp. 131-176,
en François Hartog, Régimes
d’historicité. Présentisme et experiences du temps, Paris, Seuil, 2003. Vgl. Rudi Laermans, Ine Vos en
Pascal Gielen, Effets du patrimoine,
in: Musées 24 (2003),
pp. 50-55.
[19] Groys,
op. cit. (noot 4), p. 40.
[20] Zie Arthur Danto, The Philosophical Disenfranchisement of Art, New York, Columbia
University Press, 1986 en George Dickie, Art
and Aesthetic. An Institutional Analysis, Ithaca, Cornell University Press, 1975.
[21] Zie Pierre
Bourdieu, Les règles de l’art. Genèse et
structure du champ littéraire, Paris, Seuil, 1992.
[22] Groys,
op. cit. (noot 4), p. 226.
[23] Wie het
bijvoorbeeld wél nadrukkelijk corrigeert, is T.J. Clark in diens Farewell to an Idea. Episodes from a History of Modernism, New
Haven/London, Yale University Press, 1999. In het vijfde hoofdstuk, God Is Not Cast Down (pp. 225-298), staat Clark uitvoerig stil
bij het werk van Lissitzky en Malevich.
[24] Groys,
op. cit. (noot 4), p. 132.
[25] Ibid.,
p. 22.
[26] Ibid., pp. 118-119.