LANDSCHAPPEN, AUGUST SANDER &
JEFF WALL. Het tempo waarmee de Photographische Sammlung van de SK
Stiftung Kultur der Stadtsparkasse Köln degelijke tentoonstellingen blijft
leveren, is overweldigend. Amper is de voorstelling van de benijdenswaardige
privécollectie van Manfred Heiting verteerd, of daar dient zich – als aanloop
dan nog tot een nieuwe uitgave van de Menschen
des 20. Jahrhunderts – een ander ambitieus project aan: een grondige,
exhaustieve studie en presentatie van August Sanders landschappen, met als
pendant in een aparte ruimte een selectie van zes landschapsbeelden van Jeff
Wall. Voeg daar de twee accurate publicaties aan toe die dit project
ondersteunen en je krijgt een meer dan werkbaar profiel van wat een structurele
en dynamische omgang met fotografische beelden en hun geschiedenis vandaag zoal
kan betekenen.
Ook het doorbreken van al te rigoureuze opvattingen
over klassieke oeuvres uit de fotografiegeschiedenis kan daartoe gerekend
worden. Zo doet er over de landschapsfoto’s van August Sander een hardnekkige
mythe de ronde: de these van de ‘innerlijke emigratie’, zoals Olivier Lugon het
noemt in de verhelderende studie bij deze tentoonstelling. Sander zou zich,
nadat de portretten van Antlitz der Zeit in
1934 door de nazi’s in beslag waren genomen, gedurende de twaalf jaren van het
Derde Rijk veiligheidshalve maar op landschappen zijn gaan toeleggen,
noodgedwongen zou hij zijn toevlucht tot de ‘vrije natuur’ hebben gezocht. De
resultaten van Lugons onderzoek spreken dit echter (voor het eerst) formeel
tegen. Niet enkel heeft August Sander zich in de loop van zijn hele carrière
intensief met het landschap ingelaten, het vormde voor hem zelfs het
doorslaggevende argument om überhaupt met fotograferen te beginnen. In zijn
allereerste tentoonstelling in 1906 waren dan ook al voluit landschapsbeelden
opgenomen en zo kwamen in de loop van een periode die reikt van het eind van de
vorige eeuw tot de jaren ’50, parallel lopend met de portretten, nog duizenden
landschapsfoto’s tot stand. Bovendien schrijft een aanzienlijk deel daarvan
zich – net zoals de portretten – volledig in in het globale project dat Sander
voor zichzelf had geformuleerd: het realiseren van een ‘exacte fotografie’. Een
fotografie die een wetenschappelijke werkwijze beoogde en die via uiterste
beeldscherpte en vereenvoudigde compositie, bovenal een hoogst nauwkeurige
weergave van de werkelijkheid nastreefde. In het grote ‘portret’ dat hij op die
manier wilde realiseren van de samenleving van zijn tijd, wilde hij zich in
eerste instantie op de 20ste-eeuwse mens richten, maar toch spreekt hij in een
brief van 1925 ook over zijn voornemen om gelijklopend daarmee een verzameling
beelden aan te leggen die de ontwikkeling van dorp tot moderne grootstad zou
documenteren, om zo “eine wahre Psychologie unserer Zeit und unseres Volkes zu
geben”.
Bij het bekijken nu van Sanders landschappen op zich,
valt wel meteen de uiteenlopende kwaliteit ervan op. Naast heuse meesterwerken
in het genre, vind je er net zo goed doorsnee toeristische opnamen of plaatjes
voor heimatkalenders terug. Natuurlijk is dat zo, zegt Olivier Lugon, je mag
immers niet uit het oog verliezen dat August Sander een beroepsfotograaf was,
die in zijn atelier verschillende mensen tewerkstelde en een behoorlijk deel
van zijn tijd met commerciële opdrachten (zoals reisgidsjes of de populaire
reeks Schöne Heimat van de fameuze Blaue Bücher) aan de slag was. Al is er
tot op vandaag nooit één Sanderopname van de Loreley boven water gekomen…
Ook in dit puur professionele werk schemert niettemin
Sanders ambitie door om het landschap als een studieobject – als een
‘fysionomie’ – te beschouwen, die een hele natuur- en cultuurgeschiedenis in
zich draagt. In een radiolezing uit 1931 neemt hij in dit verband zelfs het
begrip ‘exacte landschapsfotografie’ in de mond, een term waarin tegelijk een
flinke notie van de eigentijdse ontwikkelingen van de geografische wetenschap,
de meteorologie en topografie, botanica en geologie, als een besef van de
vroege 19de-eeuwse romantische landschapschilderkunst meeklinken. Sander wilde
een esthetische en een wetenschappelijke - een
zakelijk-documentaire - bekommernis met elkaar verbinden. Daarin lag
volgens hem precies de opdracht van de moderne fotografie: “die
wissenschaftliche und die sogenannte künstlerische Photographie zu einer
einheitlichen photographischen Gestaltung zu bringen”. Zo gaan in een aantal
van de beste Sander-landschappen inderdaad lyrisch geladen, soms zelfs
idyllisch gecomponeerde beelden op in een uiterst precieze, zakelijke setting –
de balans slaat echter vrijwel nooit naar het puur pittoreske over.
Wat August Sanders werk echter van de traditionele
kunstfotografie en de romantische landschapschilderkunst onderscheidt, en het
tegelijk met een wetenschappelijk-geografische benadering van het landschap
verbindt, zit hem ook in de methode. Het werken in reeksen, conceptueel, vanuit
een typologische en comparatieve blik. Een ‘vergelijkende’ fotografie die,
zoals we inmiddels weten, danig school heeft gemaakt. Het blijkt dan ook een op
zijn minst geïnspireerde keuze om deze maidenpresentatie
van Sanders landschappen niet te laten uitmonden in een inmiddels bijna
vanzelfsprekende stamboomtentoonstelling (Sander meets his Becherschüler).
De confrontatie met een zestal ‘pure’ landschappen van Jeff Wall houdt in deze
meer uitdagingen achter de hand. Voor een reflectie over ‘genre’ en ‘stijl’
bijvoorbeeld. Noch louter documentair, noch puur schilderkunstig is de stijl
van Walls landschapsbeelden, hoewel klassieke compositieregels van harmonie en
proportie nooit veraf zijn. Walls landschappen zijn, evenmin (en zelfs nog
beduidend minder) als die van Sander pittoresk, ze moeten veeleer gelezen
worden als mogelijke studies van de wijze waarop een ‘landschap’ geconstrueerd
wordt. Over het maken van landschappen
is ook de titel van het beknopte essay dat Wall voor de publicatie bij deze
tentoonstelling schreef. Ik maak landschappen of soms stadsbeelden, zegt hij,
om het proces van zo’n ‘nederzetting’ na te gaan, maar ook om voor mezelf uit
te maken om wat voor beeld het nu eigenlijk gaat, wanneer we het over een
‘landschap’ hebben. Om een landschap te kunnen ‘maken’ moeten we volgens Wall,
afstand nemen. Ver genoeg om ons aan de aanwezigheid van andere mensen (de
figuren, noemt hij ze) te onttrekken, maar toch niet zo ver, dat we hen als
‘actoren in een sociaal veld’ uit het oog verliezen. “Of, preciezer uitgedrukt,
juist op het punt waarop we de figuren als actoren uit het oog verliezen,
kristalliseert het landschap zich tot genre.”
Opmerkelijk – en tegelijk ook vanzelfsprekend – is dat
zowel het boek over Sander als de publicatie over Wall, de beroemde
tentoonstelling New Topographics
(George Eastman House, Rochester, 1974-75) aangrijpt als vergelijkingsbasis (of
lanceerplatform). Met werk van onder meer Robert Adams, Lewis Baltz, Bernd en
Hilla Becher, Nicholas Nixon of Frank Gohlke schoof New Topographics kordaat een nieuwe visie op de
landschapsfotografie naar voor, die wezenlijk documentair was, afstandelijk,
onspectaculair en allesbehalve schilderkunstig. Ook August Sander, zo blijkt
uit deze recente studie, streefde in zijn landschappen naar een vergelijkbare
precisie en objectiviteit en interesseerde zich – als hij maar even kon – voor
complexe landschappen, waarop de mens zijn stempel had gedrukt. New Topographics verbreedde op een
fundamentele en systematische manier het begrip ‘landschap’ door zich op
topografische thema’s en structuren te concentreren: hoe de industrie of de
gestandaardiseerde architectuur het landschap heeft ‘getekend’ bijvoorbeeld. In
de vroege jaren ’80 maakt Jeff Wall zijn eerste landschappen en hoewel er
thematische parallellen met de Nieuwe Topografen aan te stippen zijn, gaat zijn
werk formeel een heel andere richting uit. Wall, zegt Susanne Lange, werkt
binnen de regels van het klassieke landschapschilderij (het pastorale, het
ideaallandschap, enzovoort) en wil van binnenuit – zij het vanuit een met de
New Topographics verwant afstandelijk standpunt – op een ideologisch-kritische
manier met het landschap-als-beeld omgaan. Wall: “Voor mij draagt het landschap
als genre ertoe bij de afstand zichtbaar te maken, die we tussen elkaar moeten
bewaren, om zo bij elkaar te kunnen vaststellen, wat we, onder zich voortdurend
wijzigende omstandigheden, lijken te zijn”. Geïsoleerd van de rest van zijn
oeuvre, bouwen de ‘landschappen’ van Wall een merkwaardige stilte en een
intrinsieke spanning op, die even de groteske luidruchtigheid van andere
taferelen uit de herinnering bant.
August Sander:
Landschaftsphotographien en Jeff Wall; Bilder von Landschaften tot
28 maart in de Photographische Sammlung SK Stiftung Kultur, Im
Mediapark 7, 50670 Köln (0221/226.59.00), www.sk-kultur.de (Erik Eelbode)