“Ze komen
zonder noodlot, zonder motief, zonder ratio”
‘Nomadisme’
in Deleuze en in het deleuzisme
Marc De Kesel
Djengis Khan
bezat geen land… [1]
Rien ne voyage
moins qu’un nomade.
C’est parce qu’ils ne veulent pas partir qu’ils sont nomades. Et c’est
pour ça
qu’ils sont […] tellement persécutés.
Gilles
Deleuze [2]
1. Nomade…
Voor wie
zich waagt aan een deleuziaanse cultuurkritiek, is “nomade” een bekend
en
positief concept. Denk bijvoorbeeld aan Rosi Braidotti’s recente boek Op doorreis dat, zo belooft de
ondertitel, een lans breekt voor een “nomadisch denken in de 21ste
eeuw”. [3] Een denken dat van onze tijd is, moet nomadisch zijn.
En ook
het moderne subject, zo voegt Braidotti eraan toe, moet nomadisch zijn.
Met die laatste claim neemt zij stelling
tegen de vroege moderniteit, waarvan we het probleem van het ‘subject’
hebben
geërfd. Het vroegmoderne ‘subject’ – het cartesiaanse cogito van
begin 17de
eeuw – trachtte de nomadische dwalingen van de toen heersende
scepsis in
te dijken. Het deed dat niet door de twijfel te bezweren, maar door ze
te systematiseren. Door aan alles te
twijfelen, ontdekte Descartes
het principe dat aan de twijfel ontsnapte: de
twijfel zelf. De act van de twijfel vooronderstelt een ‘grond’, een
‘draagvlak’ (subjectum in het Latijn)
en dat draagvlak kan alleen bij de twijfelende instantie zélf te vinden
zijn.
Deze ‘drager’, dit subjectum, werd de
nieuwe, moderne grond voor de omgang met de werkelijkheid en met
onszelf.
In zekere zin heeft dit vroegmoderne
subject iets nomadisch. Het ervaart de werkelijkheid als een kale,
onherbergzame steppe. Nergens is het thuis. Anders gezegd: het is
alleen thuis in zichzelf. Het twijfelende denken is
zijn eigen grond. Het is gegrond in de ‘grond’ die het overal
meedraagt. De
(vroeg)moderne mens heeft wel een ‘thuis’ en een grond, maar dan een
nomadengrond en een nomadische woonst die hem overal vergezelt: die
‘zelfzekere
nomade’ is het cartesiaanse subject.
Maar dát nomadische subject is niet
wat Deleuze, Braidotti of andere deleuzianen voor ogen staat. Deleuze
wil juist
ontsnappen aan het cartesiaanse denken en aan de ‘nomadische grond’ van
het
cogito. Hij stelt een subject voor dat niets ‘grondvest’, ook geen
nomadische
twijfel. Dit subject wil zelf
nomadisch zijn – onvast en steeds in beweging – in die mate
zelfs dat
het elk zelf verwerpt.
Het ondermijnen van de zelfheid van het moderne
subject: dat is
de inzet van Deleuzes filosofie. Hij deelt die inzet met zowat het hele
Franse
denken van de tweede helft van de 20ste eeuw. [4] Lacan, Foucault,
Derrida
en zovele anderen in hun spoor, trachten elk op hun manier het moderne
subject
aan een verregaande kritiek – een decentrering, een
deconstructie –
te onderwerpen. Deleuze doet daarvoor een beroep op de kritische
‘ontologieën’
uit de filosofische traditie: Spinoza, Leibniz, Nietzsche en
Bergson. [5]
Aan deze denkers ontleent hij het inzicht dat onze verhouding tot de
werkelijkheid niet gedragen wordt door een vast punt dat buiten de
wereld
staat, maar door de werkelijkheid zélf. Wij zijn zélf het ‘zijn’; en
dit ‘zijn’
is geen in zichzelf rustende substantie, zoals de traditie dat leert.
Het
‘zijn’ is ‘differentie’, een differentie die ‘differenter’ en grilliger
is dan
de differenties van ons logische denken. Daarom moeten we het logische
denken
door de ongrijpbare differenties van de werkelijkheid laten aantasten,
decentreren, deconstrueren.
Ook het punt van waaruit wij aan de
werkelijkheid deelnemen (wat Descartes het subject noemt) moeten we
laten
aantasten door de radicale ‘differentie’ van het ‘zijn zelf’, of
exacter, door
de zelfloosheid van het zijn. Het
‘zijn’ is immers geen ‘thuis’ waar we bij onszelf aankomen
– Deleuze gaat
hier in tegen de idee van Heidegger dat de mens in het ‘zijn’ thuis is
of thuis
moet zijn. Voor Deleuze kunnen we alleen meedeinen op de golven van het
zijn
– het zijn als worden, als devenir.
Onze identiteit is dus, net als het zijn, onvast en beweeglijk, een
permanent
en dynamisch worden. In de woorden
van Braidotti: “Het nomadische subject is geen metafoor voor
dakloosheid of
gedwongen ontheemding, maar een project dat erop gericht is alle
hunkering naar
een oorsprong of naar onveranderlijkheid los te laten. Het bouwt een
identiteit
op die bestaat uit overgangen, verschuivingen en veranderingen, zonder
dat er sprake
is van een essentiële eenheid.” [6]
2. …in
deleuziaanse zin
Braidotti
illustreert dit nomadische subject vaak met haar persoonlijke
geschiedenis: in
Italië opgegroeid, in Frankrijk gevormd, werkend in Nederland en
opererend over
de hele wereld, kun je haar inderdaad een nomade noemen. Dat ze zich
bovendien
afzet tegen het postmoderne relativisme, dat ze de ‘trouw aan zichzelf’
niet
uit de weg gaat [7] en opkomt voor de zaak van het feminisme,
maakt haar,
naar eigen zeggen, tot een nomade in de deleuziaanse zin van het woord.
Toch
merkt ze op dat een deleuziaanse nomade niet voortdurend op reis hoeft
te zijn.
“Niet alle nomaden zijn wereldreizigers; de beste reizen kunnen soms
plaatsvinden zonder het huis fysiek te verlaten”, lezen we in het
hoofdstuk De weg van de nomade. [8] Braidotti
citeert hier bijna letterlijk, en zonder dit te expliciteren, uit
Deleuzes
essay Pensée nomade: “de nomade is
niet per se iemand die beweegt: er
bestaan reizen ter plaatse, reizen in intensiteit en zelfs historisch
zijn de
nomaden niet degenen die bewegen zoals migranten dat doen, maar
integendeel
degenen die niet bewegen en slechts ‘nomadiseren’ om op dezelfde plaats
te
blijven, ontsnappend aan de codes.” [9] Die laatste opmerking
– dat
nomaden nomadiseren om op dezelfde plaats
te blijven – laat Braidotti evenwel achterwege, net als de
hele
context van de passage bij Deleuze. Het zijn cruciale omissies, want ze
laten
haar toe om het concept ‘nomade’ in de eerste plaats te verbinden met
reizen,
migreren, veranderen... Op die manier snijdt ze een essentiële
connotatie uit
Deleuzes nomadenconcept weg. Precies die connotatie, zo zal blijken,
die haaks
staat op de sympathieke nomadenidee waar het heersende ‘deleuzisme’ zo
vol van
is.
De
‘nomade’ van Deleuze is geen eenvoudig begrip. Het is echter leerrijk
om te
kijken naar de literaire fragmenten die Deleuze in Pensée
nomade (het essay waaraan Braidotti impliciet refereert)
gebruikt om het concept te illustreren. De eerste passage komt uit een
kortverhaal van Franz Kafka, getiteld Een
oud geschrift. Deleuze citeert:
“Onmogelijk
te begrijpen hoe ze tot in de
hoofdstad zijn doorgedrongen die toch heel ver van de grens afligt. In
elk
geval zijn ze er; het lijkt wel alsof het er elke morgen meer worden…
[…]
Praten met ze is niet mogelijk. Ze verstaan onze taal niet. […] Ook hun
paarden
eten vlees.” [10]
Deleuze
citeert maar karig uit Een oud geschrift.
Nadere lectuur van Kafka leert dat het verhaal inderdaad over nomaden
gaat,
“nomaden uit het noorden”, maar vooral ook “gewapende soldaten”.
Doorgedrongen
tot op “het plein voor het keizerlijke paleis” houden ze “alle ingangen
die op
het plein uitkomen […] bezet. […] Ze houden zich onledig met het
slijpen van
zwaarden, het scherpen van pijlen, met oefeningen te paard. Van dit
stille,
angstig schoon gehouden plein hebben ze een ware stal gemaakt. […] Wat
ze nodig
hebben, nemen ze. Je kan niet zeggen dat ze geweld gebruiken. Als zij
ergens
naar grijpen, ga je opzij en laat alles aan hen over. Ook uit mijn
voorraad [het verhaal is een verslag in de ik-persoon,
mdk] hebben ze menig goed stuk weggehaald. Maar ik mag niet klagen, als
ik
bijvoorbeeld zie hoe het de slager van de overkant gaat. Nauwelijks
brengt hij
zijn waren binnen of alles wordt weggesleept en door de nomaden
verslonden. Ook
hun paarden eten vlees […].” [11]
Als illustratie van het “op doorreis
zijn” of het “doorkruisen van verschillende soorten en niveaus van
identiteit”
(Braidotti) lijken deze nomaden niet echt geschikt. [12] Maar het
beeld
past wel goed bij wat Deleuze schrijft. Voor hem zijn de nomaden “niet
diegenen
die bewegen zoals migranten dat doen, integendeel, het zijn diegenen
die niet
bewegen en die ‘nomadiseren’ om op dezelfde plaats te blijven,
ontsnappend aan
de codes”. Deleuze vindt dit typerend voor Kafka’s nomaden en voor
nomaden tout court: nomaden leggen de bestaande
wetten naast zich neer, zij gaan zonder zich te verantwoorden naast en
tussen
gesettelde mensen leven, ze bezetten hun openbare ruimte (het “plein”)
en
schrikken er niet voor terug om hen te bestelen of, erger nog, hen
zodanig te
terroriseren dat het lijkt alsof stelen geen stelen meer is. Deze
nomaden
lijken minder op pakweg de Toearegs dan op de Noormannen of de Mongolen
van
Djengis Khan: het zijn geweldenaars die binnenvallen, de boel op z’n
kop zetten
en alles tot het hunne maken.
De tweede literaire verwijzing van
Deleuze, op dezelfde pagina, komt uit Nietzsches Genealogie
der Moral (II,17) en laat aan duidelijkheid nog minder
te wensen over (wat niet betekent dat de zaak er gemakkelijker op
wordt):
“Ze
komen als het noodlot, zonder motief,
zonder ratio, zonder consideratie, zonder voorwendsel, ze zijn er zoals
de
bliksem er is, te verschrikkelijk, te plotseling, te overtuigend, te
anders om
zelfs maar gehaat te kunnen worden.” [13]
Opnieuw
citeert Deleuze karig. De context is Nietzsches evocatie van de
oorsprong van
de samenleving: die is niet ontstaan door een onderlinge overeenkomst
van haar
toekomstige leden, zoals de vroegmoderne theorieën van het sociaal
contract ons
voorhouden, en zoals wij nog steeds impliciet veronderstellen. Voor
Nietzsche
is de samenleving of de staat gevormd,
in de sterke betekenis die dat woord bij hem heeft: de samenleving is
het
resultaat van een creatieve act, gesteld door diegenen die daartoe in
staat zijn,
wat in dit geval betekent: die machtig en gewelddadig genoeg zijn om
hun wil
aan anderen op te leggen.
Net vóór de passage die Deleuze
citeert, schrijft Nietzsche:
“[...]
dat de oudste ‘staat’ zodoende als een
vreselijke tirannie, een verpletterende en meedogenloze machinerie
optrad en
net zo lang doorwerkte, tot de grondstof van gepeupel en halve dieren
ten
slotte niet alleen door en door gekneed en buigzaam gemaakt, maar ook
gevormd was. Ik gebruikte het woord
‘staat’: het spreekt vanzelf wat daarmee bedoeld wordt – een kudde
blonde
roofdieren, een veroveraars- en herenras dat militair georganiseerd en
de
capaciteiten bezittend om zich te organiseren, naar hartelust zijn
vreselijke
klauwen op een in getal misschien veruit superieure, maar nog
vormeloze, nog
dwalende bevolking legt. Zo en niet anders ziet het aanvangsstadium van
de
‘staat’ op aarde eruit: me dunkt dat de aanstellerij die hem met een
‘verdrag’
liet beginnen heeft afgedaan. Wie bevelen kan, wie van nature een
‘heer’ is,
wie gewelddadig is in zijn werk en zijn manier van doen – wat
heeft díe
met verdragen te maken! Op zulke wezens reken je niet, ze komen als het
noodlot, zonder motief, zonder ratio […]. Hun werk is een instinctief
scheppen
van vormen, dicteren van vormen, het zijn de meest onvrijwillige en
onbewuste
kunstenaars die je je kunt voorstellen – in een oogwenk staat er
waar zij
verschijnen iets nieuws, een machtsgewrocht dat leeft […]” [14]
Nietzsches
‘positieve’ voorstelling van ‘de veroveraars’ – ein
Rudel blonder Raubthiere, eine Eroberer- und Herren-Rasse –
is berucht, vooral door het gebruik dat het nazisme ervan gemaakt
heeft. De
passage is echter ook voor Deleuze van belang. Telkens opnieuw verwijst
hij
ernaar. Hij bespreekt het fragment zeer uitvoerig in L’anti-Oedipe
(1972), verschenen in het jaar van de lezing Pensée nomade,
en gaat daarbij ook in op
de frase met de “blonde roofdieren” en het “veroveraars- en
herenras”. [15] In Mille plateaux
(1980), het vervolg op L’anti-Oedipe,
verwijst hij opnieuw naar het Nietzschefragment én naar de passage uit
het
verhaal van Kafka. [16] Het is duidelijk dat de nomade van Deleuze
fundamenteel verwant is met het blonde roofdier van Nietzsche. De
nomade is
degene die aan de oorsprong ligt van de ‘staat’ (de samenleving, de
beschaving),
omdat hij zijn “machtswil” (Nietzsche) oplegt aan de kudde van “halve
dieren”
en hen met geweld “kneedt en vormt”.
De nomaden van Deleuze en Nietzsche
zijn eerder op rooftocht dan op zwerftocht. Hun optreden heeft minder
met
reizen dan met geweld te maken. Dat is ook de reden waarom Deleuze het
denken
van Nietzsche als een “pensée nomade” beschouwt. Nietzsche brengt in
het
heersende filosofische discours een vertoog binnen dat radicaal anders
is, en
dat als een bliksem “van buitenaf” binnenbreekt, zoals Kafka’s nomaden
de
hoofdstad binnenvallen. “Het stille, angstig schoon gehouden plein” van
de
bureaucratische filosofie wordt door zijn aforismen in “een ware stal”
herschapen. [17] Hiermee is ook de inzet aangegeven van het
revolutionaire
nomadische denken: dat moet de zuivere rede met zijn ‘onsamenhangende’
aforismen blijven bestoken. Denken is geen inwaartse beweging die tot
de kern
der dingen afdaalt. Het is een oppervlaktebeweging: het positioneert
zich naast datgene wat het wil onderzoeken of
bevragen; het bestookt dit rechtstreeks
en van buitenaf. Nietzsche, zo
schrijft Deleuze, leert ons pas wat denken is: een beweging gefundeerd
“op een
onmiddellijke relatie tot het buiten”. [18] De aforismen die dat
denken
produceert zijn als “nomaden”, dat wil zeggen, als lieden waarvan men
zegt: “op
zulke wezens reken je niet, ze komen als het noodlot, zonder motief,
zonder
ratio…”
Het fragment over de nomaden staat
in Pensée nomade aan het slot. De
zinnen die erop volgen, ademen nog volop de geest van mei ’68: “Men
beseft heel
goed dat het probleem van de revolutie nú erin bestaat een eenheid van
de
punctuele strijdvormen te vinden, zonder terug te vallen op een
despotische en
bureaucratische partijorganisatie of op een staatsapparaat: een
oorlogsmachine
die niet opnieuw tot een staatsapparaat zou leiden, een nomadische
eenheid in
relatie tot het buiten, die niet opnieuw de interne despotische eenheid
zou
herstellen.” [19] Het nomadische denken staat in het teken van de
permanente revolutie: een revolutie die niet de fout maakt om, zoals
vrijwel
alle historische revoluties, tot machtsapparaat te verworden. Denken
kan alleen
een revolutionaire “oorlogsmachine” zijn. Wordt het iets anders, dan
stelt het
zich in dienst van staat en orde, en is het geen denken meer. Denken is
de
vitale activiteit die zonder ophouden woekert in alles wat een vaste
grond
onder de voeten meent te hebben. Die grond is immers niet het vaste
‘zijn’,
maar het bewegende ‘worden’. De kritiek en het denken staan in het
teken van
dat ‘worden’ of, zoals Deleuze het zijn hele oeuvre door noemt, van het
“leven”.
3. Nomos
Denken is
niet logisch maar nomadisch: Deleuze
wil het model van de
‘logos’ voor dat van de ‘nomos’ inruilen. In het woord ‘nomade’ leest
hij
inderdaad altijd eerst het Griekse ‘nomos’. Merkwaardig, want ‘nomos’
en
‘logos’ gelden in het oud-Grieks vaak als synoniem. Nomos
betekent wet, regel, conventie. Logos staat voor
woord, taal, gedachte: voor datgene wat wetten en
regels geeft aan ons denken en spreken. In Différence
et répétition (1968) keert Deleuze zich echter uitdrukkelijk tegen
de
klassieke opvatting die logos en nomos
in dezelfde betekenissfeer
situeert. Hij inspireert zich daarvoor op een studie van Emmanuel
Laroche over
de herkomst van het oud-Griekse zelfstandige naamwoord nomos
en zijn werkwoordsvorm nemein.
Beide zijn terug te voeren op de stam nem-,
dat de act van het verdelen aanduidt – maar,
aldus Laroche, niet het verdelen van
een afgebakend geheel in diverse onderdelen. [20] De woorden met
de stam nem- zijn afkomstig uit herdersculturen
waar het economisch leven rond de veestapel draait. Ze benoemen het
verdelen
van de kudde, wat in dit geval wil zeggen: het verspreiden ervan over
een niet
vast omlijnd gebied, met de bedoeling dit gebied toe te eigenen. Nomos, zo onthoudt Deleuze uit de studie
van Laroche, “betekent in de eerste plaats een bezet gebied, maar dan
zonder
precies afgelijnde grenzen”. “Vandaar het thema van de ‘nomade’ ”, zo
besluit
hij even kort als suggestief. [21]
De context in Différence
et répétition is abstract. Deleuze
ontvouwt er zijn
stelling over de “eenduidigheid” – “l’univocité” –
van het zijn. [22] Voor hem is die ‘eenstemmigheid’ één manier om
de oppervlakte van het zijn aan te duiden.
Op het ontologische niveau staan de dingen “in een onmiddellijke
relatie tot
een buiten”. Er is geen sprake van hiërarchie en ondergeschiktheid.
Alles is
één, omdat alles deelt in dezelfde onophefbare differentie die de
zijnden
rechtstreeks tegenover elkaar stelt. Dit geeft het zijn een directe
eenheid: niet
die van een substantie, maar die van een grenzeloos, onoverzichtelijk
en
(daarom) ‘onindeelbaar’ oppervlak waarop de werkelijkheid haar spel van
“differentie en herhaling” speelt, zonder hiërarchie, zonder orde of
volgorde. [23]
Dit “eenduidige zijn” is vanuit een logisch
perspectief onindeelbaar.
Deleuze introduceert hier het onderscheid tussen logisch
en nomadisch. Een
logische indeling vertrekt van een
vermeend zicht op het geheel: het ‘zijn’ wordt opgedeeld in diverse
domeinen;
essentie wordt van bijzaak onderscheiden, substantie van attribuut,
kern van
periferie, noodzaak van toeval, waarbij het laatste telkens
ondergeschikt wordt
gemaakt aan het eerste. Het logische denken is hiërarchisch en volgt
een representatie-logica. Het stelt het
‘zijn’ als een geheel vóór zich, en gaat het dan indelen naar diepte,
als het
ware gravend naar de grond van onze representaties. Het koestert de
illusie dat
het ‘zijn’ zich ophoudt achter ‘lagen van schijn’. Op die manier
miskent het
logische denken de ware ontologische aard van het zijn, dat
‘oppervlakte’ is:
een onbegrensd veld van differenties die ordeloos naast
elkaar opereren en die samen de éénduidigheid (de
‘univociteit’) van het zijn vormen.
Dit ‘oppervlakkige’, eenduidige en
differentiële ‘zijn’ vraagt om een ander denken. Het vraagt om een
denken,
aldus Deleuze, “dat je nomadisch moet noemen, een nomadische nomos, zonder eigenheid, omheining of
maat”. [24] Een denken dat gebaseerd is op een totaal andere
‘indeling’ of
‘verdeling’: geen indeling van een afgebakend geheel (een totaliteit,
gevat in
een voorstelling of representatie), maar een verspreiding of verdeling
die, op
een disparate wijze, een grenzeloos domein bezet houdt zonder het
volledig in
bezit te nemen. Deleuze spreekt over een “verdeling/verspreiding die
doolt en
zelfs ‘delireert’, waar de dingen zich ontplooien op de uitgestrektheid
van een
eenduidig en ongedeeld Zijn”. [25]
Het ‘zijn’ is dus niet wat verdeeld/ingedeeld
wordt, maar het
oppervlak waarover verdeeld en
verspreid wordt. In die zin is het ‘eenduidig’. Het is weliswaar een
veld van
differenties, maar als veld is het één. Al wat is, gebeurt op dat ene
en
eenstemmige differentiële veld – als “evenement” en niet als
substantie.
De zijnden veroveren een plaats op dit ‘vlakke’ ontologische terrein,
zij
verdelen zich en delen het in; dat zou je het zijnsgebeuren kunnen
noemen. De
maat van dat zijnsgebeuren heeft meer te maken met anarchie en chaos
dan met
orde en regelmaat. “Het eenstemmige Zijn is tegelijk nomadische
verdeling/verspreiding en gekroonde anarchie”, schrijft Deleuze in Différence et répétition, aan het eind
van de paragraaf waarin hij voor het eerst het nomadische karakter van
het
denken evoceert.
4. Wille zur
Macht
Als die
gedachtegang wat hermetisch en abstract lijkt, dan wordt de zaak al wat
concreter met het beeld van Kafka’s nomaden. Zij wordt ook politieker:
Kafka laat het geweld zien dat het nomadische denken in
het leven van een stad aanricht. De logos,
die het sociale en politieke leven regelt met wet en orde, wordt
miskend en
doorkruist door een nomos. De logos
is machteloos tegen de nomos van
deze nomaden, want zij spreken niet
eens, “ze hebben zelfs nauwelijks een eigen taal” (Kafka). Ze richten
zich niet
tot de mensen in de stad, om ze voor zich te winnen. [26] Zij
proberen
geen afspraken te maken, geen contract te onderhandelen met de bewoners
of hen
ergens van te overtuigen. Ze gaan veeleer naast
de mensen van de stad leven, op zo’n radicale manier dat de stedelingen
ofwel
baan ruimen en wegtrekken, ofwel zélf tot nomaden worden gekneed.
De gewelddadige presentie van de
nomaden is dus niet per se gericht op
verovering, heerschappij en macht. De nomaden oefenen wel macht uit,
maar het
gaat om een macht/kracht die in hen
aan het werk is. Zij laten die kracht – van het levende ‘zijn’
zelf –
alleen maar de vrije loop. In tegenstelling tot de stedelingen hebben
zij haar niet het zwijgen opgelegd. Zij hebben,
om met Nietzsche te spreken, hun “wil tot macht” niet onderdrukt.
Telkens
wanneer Deleuze uitpakt met Kafka’s nomadenverhaal, is ook Nietzsche in
de
buurt – ofwel wordt de passage over het heersersras geciteerd,
ofwel
verwijst Deleuze naar zijn Nietzsche-interpretatie in het algemeen. De
intrusie
van Kafka’s nomaden in de ‘polis’ herhaalt dan ook het ontologische
fundament
– de ‘zijnsherkomst’ – van de ‘polis’ (de sociaal-politieke
gemeenschap, de “staat”).
De “staat” ontstaat, zoals gezegd,
niet door een sociaal contract. Zij ontstaat evenmin door een
ruiloperatie,
door het fenomeen van gift en tegengift, zoals beweerd wordt door de
socioloog
en etnoloog Marcel Mauss. Voor Deleuze is het “grote boek van de
moderne
etnologie” – en dus het boek dat de genealogische herkomst van
onze
samenleving schetst – niet zozeer Essai
sur le don van Mauss maar de Genealogie
der moraal van Nietzsche. [27] Nietzsche leert dat de
samenleving en
de cultuur niet ontstonden omdat de mens daar op een bepaald moment behoefte aan had, zoals de evolutionaire
psychologie nog steeds wil doen geloven. “De staat” is niet ontstaan
uit
noodzaak of nood, maar omdat de ‘actieve’ en ‘positieve’ vitaliteit van
het
leven zelf dat gewild heeft. [28] De samenleving is het product
van een
affirmatieve “wil tot macht”. Omdat die wil bandeloos is, kan zij ook
actief
kiezen om zich aan een zelfgedane belofte te onderwerpen. Zij kan
bewust in het
eigen vel snijden en zich, om haar eigen belofte gestand te doen,
‘vormen’,
‘kneden’, ‘schaven’ of (bij Nietzsche) ‘telen’. Beschaving, samenleving
en
cultuur zijn ‘geteeld’, gekweekt, geproduceerd – in
en door een geweld dat
rechtstreeks voortkomt uit de affirmatieve machtswil van het leven zelf.
Het geweld van de machtswil keert
zich dus in eerste instantie tegen die wil zelf. In principe zelfloos,
zal deze
wil zich doelbewust een ‘zelf’ moeten creëren. [29] Daarvoor heeft
hij een
geheugen nodig, en aangezien vergeten de spontane deugd van de
bandeloze
machtswil is, zal hij dat geheugen moeten “scheppen”. [30] “Hoe
geef je
het menselijke dier een geheugen?”, vraagt Nietzsche en zijn antwoord
luidt:
door middel van pijn. “Je brandt iets in om het in herinnering te laten
blijven
hangen: alleen dat wat niet ophoudt pijn te doen blijft in de
herinnering
bewaard.” Pas door herinnering en geheugen kan zoiets als een ‘zelf’,
een ‘ik’,
een ‘identiteit’, een ‘cultuur’ worden gevormd (‘geteeld’). Deze
entiteiten
zijn dus geen (fictieve) representaties, maar expressies van het zijn
zelf. Het
is de zuivere machtswil die, in pijn en geweld, instanties zoals ‘ik’,
‘identiteit’, ‘samenleving’ en ‘cultuur’ heeft ‘geteeld’. Geen wonder
dat de
geschiedenis van de mens uit niets dan wreedheden bestaat. Of zoals
Nietzsche
schrijft: “Het is altijd met bloed, martelingen, offers gepaard gegaan
als de
mens het nodig vond een geheugen [en dus een geschiedenis] te
fabriceren.” [31]
Hoe kan dan een sociaal leven ontstaan? Op
basis van schuld, zo vervolgt Nietzsche
in hetzelfde hoofdstuk van Genealogie der
moraal. Wie iets belooft, staat bij iemand anders in de schuld. Hij
verbindt er zich dan ook toe om, mocht hij in gebreke blijven, alles
over te
laten “wat hij nog ‘bezit’ of waarover hij nog macht heeft,
bijvoorbeeld zijn
lichaam of zijn vrouw of zijn vrijheid en zelfs zijn leven”. [32]
In deze
schuldvordering voelt de schuldeiser op zijn beurt de intensiteit van
zijn
machtswil (“eindelijk valt ook hem eens het verheffende gevoel te
beurt, een
wezen te mogen verachten en mishandelen als iets ‘onder
zich’”). [33] Van
zijn kant doet de schuldenaar, in de vernedering die hij moet
ondergaan, de
trouw aan zijn eigen “belofte” gestand. Hij krijgt zo de kans om zijn
affirmatieve wil uit vrije wil – en precies met
die vrije wil – verder te kastijden, te vormen, te
disciplineren, te ‘telen’. Dankzij die vernedering kan de schuldenaar
de
machtswil, die ook in hem vitalistisch ‘woekert’, nogmaals – en
mogelijk
beslister dan voorheen – in het eigen lichaam inkerven. Het wrede
genot
van de schuldeiser vervult dus eenzelfde functie voor hemzelf én voor
het
slachtoffer. Nietzsche verwijst in dat verband naar het antieke
Romeinse recht
waar dit genot tot een juridisch valabel motief werd verheven: “Vooral
echter
kon de crediteur het lichaam van de schuldenaar alle soorten van
schande en
marteling aandoen, er bijvoorbeeld zoveel van afsnijden als scheen te
passen
bij de grootte van de schuld – en er waren al vroeg overal vanuit
dat
gezichtspunt nauwkeurige, deels ontstellend gedetailleerde taxaties, terecht bestaande taxaties van
afzonderlijke ledematen en lichaamsdelen.” Of nog, op dezelfde pagina:
“De
equivalentie is hiermee gegeven, dat de crediteur in plaats van een
direct
tegen de schade opwegend voordeel ([…] geld, land, bezit van welke
soort ook),
een soort gevoel van welbehagen als
terugbetaling en vereffening wordt toegestaan – het behaaglijke
gevoel,
zijn macht ongeremd op een machteloze te mogen uitleven, de wellust ‘de faire le mal pour le plaisir de le faire’,
het genot van de geweldpleging […]”. [34]
Dit is het genot van de “nomaden”
uit Kafka’s verhaal. Uit dit genot kan de gesettelde stedeling leren
waarop
zijn stad – zijn samenleving of beschaving – gebouwd is: op
een
anarchistische en immanente
vitaliteit die nooit door een beheerste en transcendente
representatie te omvatten en in te kapselen is. Samenleving en cultuur
gaan
niet terug op een ‘derde’, overstijgende instantie die zich van de hele
zaak
een adequate voorstelling maakt en die de contractuele relaties tussen
mensen
in (een logisch) evenwicht houdt. De
staat en de samenleving moeten worden gedacht als datgene wat direct en
onbemiddeld tussen mensen gebeurt: als een expressie van het leven
zelf, van
het leven van de ene mens die met zijn machtswil tegenover het leven
van de
andere staat. Het is mogelijk dat mensen op die basis een contract
aangaan,
maar dit contract gaat altijd terug op het leven (en het leven niet op
dit
contract). In Deleuzes termen: menselijke relaties zijn niet logisch
maar
nomadisch.
Dit heeft de stedeling uit Kafka’s
verhaal begrepen wanneer hij – op zijn beurt – zijn leven
niet langer
door representaties laat beheersen,
maar door de vitalistische gang van het leven zelf. Nomadisch geworden,
heeft
de stedeling zijn gedachten losgemaakt uit het “geribde oppervlak” [“surface striée”] van de
representatielogica, om eindelijk te gaan ‘surfen’ op het “gladde
oppervlak” [“surface lisse”] van het zijn – ik
gebruik een belangrijk conceptenpaar uit Mille
plateaux. [35] Pas dan is de stedeling echt aan denken,
dat wil zeggen nomadisch denken toe.
5. Machine de
guerre
Meteen is
hij ook aan oorlog toe. Het
niet-logische, nomadische denken moet als een “machine de guerre”
worden opgevat.
De idee lag al besloten in de referenties aan Kafka en Nietzsche, en
het begrip
kwam al voor in de geciteerde passages uit Pensée
nomade. Vanaf Mille plateaux
wordt “machine de guerre” een cruciaal concept. [36]
Traité
de nomadologie: une machine de guerre, een hoofdstuk van bijna
honderd
pagina’s, opent met een reflectie over de structuralistische analyses
die
Georges Dumézil maakte van de oude Indo-Europese instellingen. Dumézil
beweert
dat de basisstructuur van deze instellingen nog steeds aan de basis
ligt van
ons huidige politieke bestel. Het gaat om een structuur die geen aparte
plaats
inruimt voor oorlog. De onderscheiden ordes van “koning/magiër”
enerzijds en
“priester/jurist” anderzijds kennen elk weliswaar een apart soort
geweld
– de eerste maakt daarbij gebruik van affectieve bindingen, de
tweede
beveiligt die bindingen met contractuele en juridische
middelen [37] – maar voor oorlog is er geen specifieke plaats.
Deleuze formuleert het in de
mythische taal van het Indische pantheon: de oorlogsgod Indra keert
zich zowel
tegen Varuna als tegen Mitra (de goden die de beide “ordes” van Dumézil
vertegenwoordigen). Indra “ontbindt elke band en verraadt elk contract.
Hij
brengt furor in stelling tegen maat,
snelheid tegen zwaarte, geheim tegen openbaarheid, macht tegen
soevereiniteit,
machine tegen apparaat. Hij getuigt van een andere rechtvaardigheid,
van een
soms onbegrijpelijk wrede aard, van een soms ongekend mededogen (hij
maakt
immers banden los…) […]”. [38]
Oorlog is een “machine” en geen
“apparaat”. Deleuze en Guattari verbinden de “machine” steevast met een
nomadische logica, terwijl ze het “apparaat” aan de representatielogica
koppelen. Het apparaat staat voor de illusie van het transcendente.
“Machines”
daarentegen zijn immanent en delen in
de ‘gladde’ differentiewerking van het zijn zelf. In een wereld van
representaties zijn ze per definitie subversief: ze voeren “oorlog”. Ze
infecteren de gevestigde “apparaten” met een anarchistische,
niet-representeerbare vitaliteit.
Oorlog is geen privilege van de
staat. [39] Het geweld dat de staat uitoefent, is van de orde van
de
representatie. Het is erop gericht alles – ook en
vooral het geweld – beheersbaar te houden. Vanuit een
soevereine, transcendente positie wil de staat bemiddelen in
het geweld dat haar doortrekt. Daarom heeft de oorlog
als zodanig geen plaats binnen het staatsbestel. Zij staat immers voor
het
immanente geweld waarmee mensen zonder
enige bemiddeling – dus zonder de tussenkomst van
voorstellingen – met elkaar in
relatie staan. Zij confronteert mensen onmiddellijk
en rechtstreeks met elkaar, de ene machtswil tegenover de andere,
zonder
bescherming van een superieure instantie. De “andere rechtvaardigheid”
van de
oorlog bevrijdt ons van het geweld van de soevereine ‘derde’ die in
onze
conflicten tussenkomt en ons afsnijdt van onze vitale machtswil.
Vandaar haar
“onbegrijpelijk wrede aard” alsook haar “soms ongekend mededogen”.
“Een andere rechtvaardigheid, een
andere beweging, een andere tijd-ruimte”, zo besluit Deleuze voorlopig.
In de
daaropvolgende alinea gebeurt iets vreemds. Ze opent abrupt met twee
citaten:
“Ze komen als
het noodlot, zonder motief, zonder ratio,
zonder consideratie, zonder voorwendsel…” “Onmogelijk te begrijpen hoe
ze tot
in de hoofdstad zijn doorgedrongen die toch heel ver van de grens
afligt. In
elk geval zijn ze er; het lijkt wel alsof het er elke morgen meer
worden…”
Daarna
neemt de tekst, even abrupt, een nieuwe wending en gaat Deleuze in op
een essay
van Luc de Heusch. [40]
Ons zijn deze citaten inmiddels
bekend, maar voor de argeloze lezer van Traité
de nomadologie komen ze uit de lucht vallen. Toelichting,
situering,
auteurs, bibliografische referenties: alles ontbreekt. Het zijn naakte
citaten,
en in die hoedanigheid passen ze zelf de tactiek toe van de “machine de
guerre”
die ze inhoudelijk illustreren. Ze vallen ongevraagd het vertoog
binnen, zonder
verantwoording, en laten geen weerwoord toe (“praten met ze is
onmogelijk”,
schreef Kafka). Ze negeren de discursieve opbouw van de redenering en
stellen
zich boudweg tussen en naast de
andere zinnen van de tekst. Met
nomadische citaten wordt de logische
representatie uit zijn voegen
gelicht. Deleuze illustreert dus ook op een formeel, ‘tekstueel’ niveau
wat
nomadisch denken is. “Sans cause,
sans égard, sans
prétexte”, zo gaan deze citaten tekeer. Ze sluiten
naadloos aan
bij de aforistische, nomadische denkwijze die door Nietzsche voor het
eerst
radicaal in de praktijk werd gebracht, in een grillige, gladde,
anarchistische
schriftuur die eropuit was de gangbare definitie van denken en
filosofie de
genadeslag toe te dienen.
Dat aspect van Nietzsches denken
staat in Deleuzes lezing Pensée nomade
(1972) centraal: “Het meest fundamentele bij Nietzsche is misschien de
radicaliteit waarmee hij met de filosofie heeft gebroken […]: uit het
denken
een oorlogsmachine te hebben gemaakt, het denken tot een nomadische
macht te
hebben gemaakt.” [41] Waarna Deleuze zijn betoog afsluit met één
zin in
vragende wijs: “En zelfs wanneer de reis zonder beweging is, zelfs
wanneer zij
onwaarneembaar, onverwacht, onderaards en op de plek zelf plaatsvindt,
moeten
wij ons afvragen wie onze huidige nomaden zijn, wie werkelijk onze
nietzscheanen zijn?” [42]
6. Nomaden
vandaag?
Wie zijn
“onze huidige nomaden”? Aan wie kan Deleuze anders hebben gedacht dan
aan
zichzelf? Na zijn lange pleidooi voor het nietzscheaanse nomadische
denken,
moet de conclusie wel zijn dat hijzelf die “huidige nomade” is. Zijn
geschriften lokten die conclusie uit, en de verdere ontwikkeling van
zijn oeuvre
heeft dat nog versterkt. Gevolg is dat Deleuze vandaag als een
oppernomade
geldt, in de ogen van talrijke filosofen en critici die, in zijn spoor,
ook hun
eigen denken fier als “nomadisch” betitelen.
Of zij werkelijk “onze huidige
nomaden” zijn, in de betekenis die Deleuze voor ogen stond, is minder
zeker.
Vaak gaan ze de wrede, ethisch hachelijke connotatie met de
“oorlogsmachine”
van Deleuze uit de weg, ook al vormt die de kern van het deleuziaanse
nomadisme. Van een “kudde blonde roofdieren” of van een “veroveraars-
en
herenras” is bij hen nauwelijks een spoor te vinden, noch in
affirmatieve noch
in kritische zin. Nomadisch denken blijft in hun ogen iets voor
vriendelijke
migranten, voor moderne burgers die weten dat het leven ‘reizen’ is en
dat onze
identiteit nooit vaststaat.
Dat brengt ons opnieuw bij
Braidotti. Het Ik is “op doorreis”, “de identiteit is een kronkelende
en
achterwaartse reis”, schrijft ze in De
weg van de nomade. [43] Daarmee bedoelt ze niet dat de notie
van
identiteit overbodig is geworden. Op het einde van dit essay, bij een
zoveelste
poging om het feminisme “nomadisch” te denken, schrijft ze: “Het
vergankelijke
leven als een nomade betekent niet dat je als vrouw geen stabiele
geruststellende basis voor de identiteit kan of wil creëren. Deze basis
is
juist nodig om in een gemeenschap te kunnen functioneren. Maar die
identiteit
kun je nooit als vast beschouwen. De nomade is alleen maar op doorreis.
Hij
maakt de noodzakelijke connecties die helpen te overleven, zonder ooit
de beperkingen
van één nationale, vastgelegde identiteit te aanvaarden. De nomade
heeft geen
paspoort, of heeft er te veel […].” [44]
De dominante metafoor van het reizen
is des te merkwaardiger als je weet dat de auteur, als goede
deleuziane, nog
maar net had aangegeven dat “niet alle nomaden wereldreizigers zijn” en
dat “de
beste reizen soms kunnen plaatsvinden zonder fysiek het huis te
verlaten”. [45] Maar nog opvallender is dat Braidotti het
nomadisme
beschrijft met de voor Deleuze reactieve term
“overleven”. Het “overleven” is voor haar een motief om de notie
‘identiteit’
te behouden, en dat is dan weer de reden waarom die onvaste, nomadische
identiteit voortdurend “op doorreis” moet zijn.
In deleuziaans/nietzscheaans
perspectief staan leven en overleven
tegenover elkaar als actief en reactief.
In tegenstelling tot het overleven, dat gericht is op
reactie en aanpassing, is leven in
eerste instantie louter actief: een zuivere act, een ‘gewelddaad’ die
zich aan
niets aanpast – per definitie
een “machine de guerre”. Natuurlijk zal die oorlogsmachine strategieën
en
listen aanwenden om te overleven, maar dat overleven is nooit het doel.
Daarvoor is het leven te zeer “sans raison”, te immanent
ook, in tegenstelling tot de transcendente
representatielogica die zich boven het leven wil
stellen, die wil over-leven en het leven dus miskent.
Ik affirmeer het immanente leven dus
niet door voortdurend heen weer te ‘reizen’ om de onvaste voorstelling
van
mijzelf veilig te stellen. Niet alleen kan ik desnoods ‘ter plaatse’
reizen;
nog belangrijker is dat dit leven in mij een geweld losmaakt dat mijn
identiteit – of wat voor Deleuze op hetzelfde neerkomt: mijn
weigering om
een identiteit te aanvaarden – tot een gevaar voor anderen en voor
mijzelf
maakt. Het leven van anderen alsook het mijne wordt erdoor op het spel
gezet.
7. Nomadisch
subject
Misschien
zal Braidotti zich door deze kritische noot niet echt aangevallen
voelen
– de passages waarin ze een reactieve opvatting van het leven
verraadt,
zijn immers te schaars. Doorgaans denkt ze het leven actief,
affirmatief, positief. Ze hanteert ‘leven’ als een kritisch
concept om de pretenties van het Ik te ondergraven, om het valse
zelfbeeld te
ondermijnen dat het Ik van zichzelf koestert, of exacter, dat het Ik
zonder
meer is. Het leven is niet alleen de
‘hogere’ bios, zo argumenteert ze
verderop, maar ook en vooral de ‘lagere’ zoè:
het leven van “virussen, bacteriën, stamcellen, moleculen,
DNA”. [46] De
hedendaagse nadruk op de zoè
impliceert voor haar “het einde van de antropocentrische visie op het
subject”
en spoort naadloos met de basisintuïties van het “nomadisch denken”:
“We moeten
accepteren dat het leven in ons doorleeft ondanks onszelf, zonder enige
structurering en beheersing van het rationele zelf en zelfs buiten onze
wil
om.” In die zin “laat het nomadische denken het humanistische zelfbeeld
los
[…]. Nomadologie kan daarom de monsterlijkheid van zoè onder
ogen zien; dat schandalige miraculeuze leven dat vitaler
is dan bios en onverschillig staat
tegenover logos. Dit stuk vlees dat
ik mijn lichaam noem, deze intelligente materie vol herinneringen,
drukt de
abjecte én goddelijke kracht van het leven uit. Het nomadisch subject
is
verliefd op het leven, dat wil zeggen op zoè.” [47]
En in een ander hoofdstuk schrijft ze: “Het ‘Ik’ is in feite een hoop
rommel,
die zichzelf als centrum van de schepping ziet. Het is een kluwen van
verlangend en trillend vlees, dat zichzelf naar de top van een
majestueus
bewustzijn projecteert.” [48]
Braidotti’s geste is hier typisch
deleuziaans: ze zet de ontologie in als een kritisch instrument tegen
de
illusies van het representatiedenken. Het Ik is niet in de eerste
plaats de voorstelling die het van zichzelf heeft,
het is iets dat ís, of nog exacter,
het is zijn (ongeacht of dit zijn tot
‘iets’, tot een vast ‘zijnde’ of tot een substantie kan teruggevoerd
worden).
Het nomadische denken, dat de ‘logos’ heeft ingeruild voor de ‘nomos’,
zweert
bij dit substantieloze zijn en stuurt het Ik in de richting van wat het
wezenlijk is: geen logisch maar een nomadisch subject. Niet de drager
van een
representatie maar de drager van een zijnsgebeuren.
Maar wat is een nomadisch subject?
Is het een subject dat “verliefd is op het leven”, op het Ik-loze,
‘lage’ zoè-leven, zoals Braidotti stelt? Dat
het nomadische subject iets met ‘leven’ heeft, ligt in een deleuziaanse
context
voor de hand, maar die ‘verliefdheid’ is minder evident. Het leven zou
dan
immers het object en de mens het subject van die liefde zijn, terwijl
Deleuze
juist stelt dat subject (in zijn neutrale betekenis van ‘drager’) en
leven niet
tegenover elkaar staan. In een
deleuziaans perspectief is niet het Ik de drager van zijn leven; het
leven is
– omgekeerd – subject/drager van het Ik. Er is geen subject
dat
verliefd is op het leven, maar een leven dat, tegen de vermeende
pretenties van
het Ik in, de verliefdheden draagt waarin het Ik zich stort. Dat het
nomadische
subject verliefd is op het leven, wil dus zeggen dat het leven op het
leven
– of abstracter, het zijn op het
zijn – verliefd is.
Dit laatste betekent uitdrukkelijk
niet dat het ‘zijn’ verliefd is op
zichzelf. In een deleuziaanse analyse is er immers geen zelf
dat subject/drager kan zijn van die
verliefdheid. Het zijn heeft überhaupt geen zelf, het gaat niet terug
op een zelf, maar op differentie, op
het verschil dat die differentie onophoudelijk met
zichzelf maakt.
Dit differente ‘zijn’ is enkel
traceerbaar in een volstrekt singulier moment, een onophefbare
singulariteit
die geen solide basis aan het gehele
zijnsgebeuren kan geven. Het singuliere is, in een open veld van
differenties,
het punt waar de differentie ‘zelf’ even oplicht, zonder dat we er de
hand op
kunnen leggen. Deleuze noemt dit “hecceïteit” (hecceité:
ditheid), een concept dat de middeleeuwse filosoof Dun
Scotus ooit creëerde om het singuliere
aan te duiden. [49] In dit singuliere ‘haec’
– dit dit en alleen maar dit –
klinkt de ‘univociteit’ van het zijn door; maar het haec
blijft in de radicale zin van het woord singulier. Het kan
niet eens particulier worden genoemd,
omdat het geen ‘pars’ is, geen deel dat naar een geheel verwijst.
“En de vraag rijst of we niet
veeleer zulke ‘hecceïteiten’ dan wel ‘ikken’ zijn”, laat Deleuze zich
ontvallen
in een interventie uit 1988 over “de kwestie van het
subject”. [50] Een
nomadisch subject is geen Ik meer, maar een ‘hecceïteit’, een singulier
moment/punt waarin iemands leven zich als “een
leven” uitdrukt: niet als zijn leven,
niet als een exempel van ‘het leven’,
maar als het volstrekt singuliere van “een
leven”, een singulariteit waarin de univociteit van het ‘leven’ even
oplicht,
als in een kristal, om meteen weer te verdwijnen. [51] Het is een
uiterst
subtiele opvatting van het subject, die de verborgen pretenties van het
klassieke subject – als drager van representaties – danig
ondergraaft. De vraag is echter of dit nomadische subject ooit iets
anders dan
een kritisch referentiepunt kan zijn. Kan men zich ooit, zoals
Braidotti
bijvoorbeeld, bewust uitlaten als nomadisch subject? Kan men zich op
zijn
nomadische subjectiviteit beroepen, of het nomadische subject promoten
als een
ideaal en opdracht voor onze tijd? Met de nomaden uit Kafka’s verhaal
viel niet
te praten omdat ze zélf niet praatten...
Van zodra een ‘nomadisch’ subject
zich laat voorstaan op zijn nomadisme, glijdt het af naar het
‘cartesiaanse’
nomadisme dat ik hogerop heb geschetst: het nomadisme van zelfbewuste
nomaden,
die voor hun nomadendom uitkomen en die zich thuisvoelen bij zichzelf.
Nomaden
die overal thuis zijn. Wereldburgers, maar met de nadruk op burgers:
zeker van zichzelf, in de
manier waarop ze met hun onzekerheid en thuisloosheid te koop lopen. De
assertieve uiting van hun onzekerheid veronderstelt immers een
subject/drager
die aan deze onzekerheid ontsnapt. Die ‘vooronderstelling’ – die
‘suppositie’,
dit ‘sub-jectum’ – is niets
anders dan het cartesiaanse subject. Het is de cartesiaanse, verborgen
zekerheid die schuilgaat onder elke uiting van twijfel en onzekerheid,
en die
zich juist door die verborgenheid in stand houdt. Wij modernen en
postmodernen
doen niets anders dan koketteren met onze nomadische conditie, onze
onzekerheid, ons gebrek aan houvast en identiteit.
Met het
concept van een nomadisch subject wil Deleuze dat cartesiaanse subject
onderuithalen. Dat hij daarvoor een ontologie in stelling brengt, maakt
de zaak
er niet makkelijker op.
Deleuzes filosofie probeert ons
duidelijk te maken dat we niet kunnen spreken in naam van
het zijn. We kunnen het zijn niet representeren, niet vertegenwoordigen.
Daarom zijn geweld en oorlog zo belangrijk in zijn nomadismeconcept.
Met die
begrippen affirmeert hij de onmogelijkheid om in naam van het zijn te
spreken.
Wie spreekt in naam van het zijn, wie het meent te vertegenwoordigen of
te
representeren, slaat de grond onder zijn eigen voeten weg.
Dat geweld wil Deleuzes ontologie
aan de oppervlakte brengen en operationeel maken. Voor hem is dit de
kritische
taak van de moderne filosofie, die om die reden een ontologie dient te
zijn. De
vraag is echter of die aanpak geen averechts effect heeft en of zij het
‘cartesiaanse nomadisme’ niet veeleer in de hand werkt. Hoe immers
kunnen we de
terreur van Nietzsches “blonde roofdieren” of van Kafka’s “nomaden” tot
model
nemen? Zodra we dit doen, geven deze geweldenaars ons opnieuw een
grond: de
grond van het ‘zijn zelf’. Zo moet ook het ‘zijn zelf’ ons temperen in
de
illusie dat we in naam van het zijn
kunnen spreken. In de kritische geste die ons van elke grond moest
beroven,
vinden we dus opnieuw een grond.
Dit is een van de impasses
– een van de vragen – die Deleuzes denken ons als een open
wonde
nalaat: de vraag naar het subject. Die vraag zal ook het deleuzisme
centraal
moeten stellen, in weerwil van de deleuzisten die haar beschouwen als
een
gepasseerd station.
Noten
1 Peter
Brent, Het Mongoolse Rijk van Djengis
Khan tot Timoer Lenk, Helmond, Uitgeverij Helmond, 1979, p. 27.
2 Gilles
Deleuze in het acht uur durende gesprek met Claire Parnet, enkel
verschenen als
dvd onder de titel L’abécédaire de Gilles
Deleuze, avec Claire Parnet, produit et réalisé par Pierre-André Boutang,
Paris, Éditions Montparnasse, 1996. Voor
het citaat, zie onder het lemma V: Voyage.
3 Rosi
Braidotti, Op doorreis. Nomadisch denken
in de 21ste eeuw, Amsterdam, Uitgeverij Boom, 2004.
4 Zie de
mooie filosofische schets die Badiou van die “Franse filosofie” geeft
in The adventure of French Philosophy, in: New
Left Review 35, oktober-november
2005, pp. 67-77.
5 Voor
een even beslagen als onmisbare inleiding in de klassieke filosofische
achtergrond van Deleuze, zie Michael Hardt, Gilles
Deleuze: An Apprenticeship in Philosophy, Minneapolis/London,
University of
Minnesota Press, 2002 [1993]. Zie ook: Monique Scheepers, Differentie
en politiek: een inleiding tot de filosofie van Gilles
Deleuze, Nijmegen, eigen beheer, 1996.
6
Braidotti, op. cit. (noot 3), p. 69.
7 “[…]
Dat houdt een ethiek in die mij ‘trouw aan mezelf’ zou maken, ook al is
dit
zelf niets meer dan een verzameling fragmenten.” Zie Braidotti, op.
cit. (noot
3), p. 70.
8 Ibid.,
p. 72.
9 Gilles
Deleuze & Michel Foucault, Nietzsche als
genealoog en als nomade, vertaling Erik Bolle, Nijmegen, SUN, 1981,
p. 62 (door mij gecorrigeerde vertaling); Gilles Deleuze, L’île déserte et autres textes: Textes et
entretiens 1953-1974, édition préparée par D. Lapoujade, Paris, Les
Éditions de Minuit, 2002, p. 362. Het essay Penseé
nomade is een lezing die Deleuze hield op het spraakmakende
symposium Nietzsche aujourd’hui? in
Cerisy-la-Salle (1972). De tekst is opgenomen in het eerste deel van de
actes van dit symposium: Pierre Boudot
e.a., Nietzsche aujourd’hui?, 1. Intensité, Paris, Union
générale d’éditions (Collection 10/18),
pp. 159-174. Voor het citaat, zie p. 174.
10
Deleuze & Foucault, op. cit. (noot 9), p. 54 (aangepaste
vertaling);
Deleuze, op cit. (noot 9), p. 356.
11 Franz
Kafka, Verzameld werk, Amsterdam,
Querido, 1983, pp. 753-754.
12
Braidotti, op. cit. (noot 3), p. 73.
13
Deleuze & Foucault, op. cit. (noot 9), p. 53; Deleuze, op.
cit.
(noot 9), p. 356. Voor de passage bij Nietzsche zelf, zie:
Friedrich
Nietzsche, Over de genealogie van de
moraal. Een polemisch geschrift, vertaling Thomas Graftdijk,
Amsterdam, De
Arbeiderspers, 1980, p. 88.
14
Nietzsche, op. cit. (noot 13), p. 88 (Nietzsche cursiveert).
15 Gilles
Deleuze & Félix Guattari, L’anti-Oedipe. Capitalisme
et schizophrénie
1, Paris, Les Éditions de Minuit, 1972, pp. 226-227.
16 Gilles
Deleuze & Félix Guattari, Mille plateaux. Capitalisme
et schizophrénie
2, Paris, Les Éditions de Minuit, 1980, p. 437.
17
“Wanneer Nietzsche niet tot de filosofie behoort, dan wellicht daarom,
omdat
hij de eerste is geweest die een geheel ander type vertoog als
tegenfilosofie
heeft ontwikkeld. Dat wil zeggen een vooral nomadisch vertoog waarvan
de
uitspraken niet door een rationele bestuursmachine zijn geproduceerd
[…] maar
door een mobiele oorlogsmachine.” Deleuze/Foucault, op. cit. (noot 9),
p. 62; Deleuze, op cit. (noot 9), pp. 361-362.
18
“Nietzsche daarentegen fundeert het denken en het schrijven op een
onmiddellijke relatie tot het buiten [relation
immédiate avec le dehors].” Deleuze/Foucault, op. cit. (noot 9),
p. 53; Deleuze, op. cit. (noot 9), p. 356.
19
Deleuze/Foucault, op. cit. (noot 9), p. 62;
Deleuze, op. cit. (noot 9),
p. 362.
20 Gilles
Deleuze, Différence
et répétition, Paris, Presses Universitaires de France, 1968,
p. 54,
noot 1; Emmanuel Laroche, Histoire de la
racine nem– en grec ancien, Paris, Klincksieck, 1949.
21 Deleuze,
op. cit. (noot 20), p. 54.
22 “Il n’y a
jamais eu qu’une seule proposition
ontologique: l’Être est univoque. […] Une seule voix fait la clameur de
l’être.” Zie Deleuze, op. cit. (noot
20), p. 52. Die laatste wending is meteen de titel van Badiou’s
boek over
Deleuze (Alain Badiou, Gilles Deleuze: la
clameur de l’être, Paris, Hachette,
1997).
23 Daarom
moet het denken de weg van die ontologische ‘oppervakkigheid’ opgaan,
wil het
zelf van enige ontologische waarde zijn; wil het met andere woorden zinnig zijn – wil het de zin van
het zijn raken en in werking zetten. In Logique
du sens schetst Deleuze uitvoerig dat een denken over het
zijn (ontologie) alleen mogelijk is als het strikt ‘oppervlakkig’
redeneert.
Niet toevallig is Logique du sens
opgevat als een lang commentaar bij ‘gladde’ en ‘oppervlakkige’
kinderficties
van Lewis Carroll. Zie Gilles
Deleuze, Logique du sens, Paris, Les Éditions de
Minuit, 1969.
24 “Tout autre
est une distribution qu’il faut appeler
nomadique, un nomos nomade, sans
propriété, enclos ni mesure.” Zie Deleuze, op. cit. (noot 20), p. 54.
25 “C’est une
distribution d’errance et même de ‘délire’,
où les choses se déploient sur toute l’étendue d’un Être univique et
non
partagé.” Ibid.
26 “Het
is niet mogelijk met de nomaden te praten. Zij verstaan onze taal niet,
ja, ze
hebben zelfs nauwelijks een eigen taal. Onder elkaar maken ze zich
verstaanbaar
op de manier van kraaien. Voortdurend hoor je dat kraaiegekrijs. Onze
manier
van leven, onze huishouding zijn hun al even onbegrijpelijk als
onverschillig.
Daarom staan ze ook afwijzend tegenover iedere gebarentaal. Je kan je
kaken
verrekken en je handen ontwrichten, zij hebben je toch niet begrepen en
kunnen
je niet begrijpen.” Zie Kafka, op. cit. (noot 11), p. 753.
27
Deleuze & Guattari, op. cit. (noot 15), p. 224.
28
Deleuze drukt het vaak uit aan de hand van de oppositie tussen ‘actief’
en
‘reactief’. Het leven is geen reactief
proces, een proces dat reageert op wat het overkomt, maar een door en
door actieve vitaliteit, die ageert vanuit
een eigen positieve impuls.
29 De wil
moet eerst “zichzelf” – lees: zijn zelfloosheid –
“verdringen”, zo
lezen we in de aangehaalde passage uit L’anti-Oedipe:
“L’homme doit se constituer par le refoulement de l’influx germinal
intense,
grande mémoire bio-cosmique qui ferait passer le déluge sur tout essai
de
collectivité.” Deleuze & Guattari, op. cit. (noot 15), p. 225.
30
Nergens aan gebonden, is de machtswil ook niet gebonden aan wat hij
meemaakt of
teweegbrengt. Zijn eerste houding is dus die van vergeten, zij het dan
een
actief (en niet een reactief) vergeten, een vergeten in dienst van de
vitale
anarchie waaraan hij uiting geeft.
31
Nietzsche, op. cit. (noot 13), pp. 58-59.
32
Ibid., p. 63.
33
Ibid., pp. 63-64.
34
Ibid., p. 63.
35 Zie
hoofdstuk 15 van Deleuze & Guattari, op. cit. (noot 16),
pp. 592-625.
36
Ibid., pp. 435-527.
37
Ibid., pp. 434-435. Zie ook het
begin van het
volgende hoofdstuk, pp. 528-529.
38 Ibid.,
pp. 435-436.
39 Elders
in dit hoofdstuk verwijzen Deleuze & Guattari naar de studie van
Pierre
Clastres, La société contre l’Etat
(Paris, Les Éditions de Minuit, 1974). Ze verwezen al naar essays van
Clastres
in L’anti-Oedipe (1972), op. cit.
(noot 15), pp. 224 e.v., meer bepaald naar diens boek Chroniques
des Indiens Guayaki (Paris, Plon, 1972).
40
Deleuze & Guattari, op. cit. (noot 16), p. 437.
41
Deleuze & Foucault, op. cit. (noot 9), p. 62; Deleuze, op.
cit.
(noot 9), p. 362.
42
Deleuze & Foucault, op. cit. (noot 9), pp. 62-63; Deleuze, op.
cit.
(noot 9), p. 362.
43
Braidotti, op. cit. (noot 3), pp. 61-62.
44 Ibid.,
p. 73.
45 Ibid.,
p. 72 (zie hierboven noot 8).
46
Ibid., p. 249.
47
Ibid., pp. 249-250.
48
Ibid., p. 66.
49 In
‘hecceïteit’ leest men vaak het Latijnse ecce,
te vertalen als “zie”, als aanwijzing van iets singuliers. Deleuze
wijst erop
dat Dun Scotus het begrip niet van “ecce”, maar van “haec” afleidt, te
vertalen
als “dit ding hier”, “dit concrete singuliere ding”. In de manier
waarop
Deleuze het concept ‘hecceïteit’ gebruikt is elke connotatie naar
‘ding’
weggelaten. Het ‘dit’ is een punt van zijnsintensiteit dat tot niets
dingmatigs, niets substantieels te reduceren is. Zie onder meer Deleuze
&
Guattari, op. cit. (noot 16), p. 318 e.v. Zie ook het lemma Hecceité in: Robert Sasso & Arnaud
Villani (réd.), Le Vocabulaire de Gilles
Deleuze – Les Cahiers de Noesis, n° 3, printemps 2003,
pp. 171-180.
50 In Réponse à une
question sur le sujet, opgenomen in: Gilles Deleuze, Deux
régimes de fous: Textes et entretiens 1975-1995, édition préparée
par David Lapoujade, Paris, Les Éditions de Minuit, 2003,
p. 328.
51 Zie
Deleuzes laatste essay Immanence: une
vie…, opgenomen in: ibid., pp. 359-363. Voor de band met
‘hecceïteit’,
zie p. 361.