“De bloedige mystificaties van de
nieuwe wereldorde”
Over Homo Sacer van Giorgio
Agamben
Lieven De Cauter
Homo Sacer is een cyclus over en tegen de nieuwe wereldorde,
waarvan we de gewelddadige vestiging op dit eigenste moment meemaken. Eerst verscheen Homo
Sacer I, le pouvoir souverain et la vie nu [1], vervolgens verscheen
deel drie, Ce qui reste d’Auschwitz,
l’archive et le témoin [2] en recent verscheen deel II, 1: Etat d’Exception. Deel II, 2 ontbreekt dus nog, en de auteur heeft nog
een vierde en afsluitend deel aangekondigd: “Wat Homo Sacer betreft: het hele boek zal vier secties bevatten. De
eerste is Homo Sacer I (de soevereine
macht en het naakte leven). Het tweede volume zal een serie genealogische
onderzoekingen bevatten (over de uitzonderingstoestand, burgeroorlog,
oikonomia, zoè, enzovoort). Daarvan is zopas het eerste hoofdstuk gepubliceerd
in het Frans en het Italiaans (Stato di eccezione, Etat d’exception). De derde
sectie is het boek over Auschwitz (over ethiek en getuigenis). Het afsluitende
en vierde deel zal het pars construens van het werk bevatten, over levensvorm
enzovoort, en het zal proberen een leven te definiëren dat onlosmakelijk is van
zijn vorm.” [3] Het vierde en afsluitende deel over de onvervreemdbare
levensvorm wordt de sluitsteen: het pars
construens of het ‘opbouwende deel’ van het werk dat staat tegenover het pars destruens, het destructieve of
ontmaskerende, kritische deel. Over de inhoud hiervan komen we iets aan de weet
in een vorig boek, Moyens sans Fins
(middelen zonder doelen), want het inleidende essay heet daar precies Forme-de-vie, een tekst uit
1993. [4] We kunnen dus niet anders dan ook Moyens sans Fins te beschouwen als deel van het geheel. Voorlopig
laat het boek toe zich een idee te vormen van het geheel van Agambens
gedachtegang. We moeten Moyens sans Fins
dus wel lezen als een proloog tot de reeks van in totaal (wellicht) zeven
boeken. [5]
Het
is niet onbelangrijk erop te wijzen dat de cyclus zich nu al uitspreidt over
tien jaar: de eerste tekst uit Moyens sans
Fins, namelijk Forme-de-vie (het
embryo van het eerste en van het vierde deel) is gedateerd op 1993, en het
meest recente boek over de uitzonderingstoestand verscheen dit jaar. Vele
gedachten krijgen in het licht van de nieuwe Amerikaanse uitzonderingspolitiek
iets profetisch. Al vanaf het instorten van de Sovjet-Unie in 1989 en de nieuwe
wereldorde die Bush senior begin jaren negentig heeft uitgeroepen, heeft
Agamben zich gerealiseerd dat we op een planetaire uitzonderingstoestand
afstevenen.
1. De soeverein en het naakte
leven
Laten we een poging ondernemen om de denkbeweging van
de Homo Sacer-cyclus anticiperend te
(re)construeren; en ondertussen onze stelling trachten hard te maken, die we
bij deze nog scherper kunnen formuleren: het
doel van de hele cyclus is de nieuwe wereldorde te ontmaskeren als
uitzonderingstoestand.
Homo
Sacer is inderdaad te beschouwen
als één lange commentaar bij Benjamins stelling dat de uitzonderingstoestand de
regel wordt. Het voorwoord van deel 1 is daarover erg duidelijk: “Nu de grote
Staatsstructuren in verval zijn geraakt en de uitzonderingstoestand, zoals
Benjamin voorspelde, de regel is geworden, is het tijd om het vraagstuk van de
grenzen en de oorspronkelijke structuur van de Staat in een nieuw licht weer
aan de orde te stellen.” [6] Het kan niet genoeg benadrukt worden dat Homo Sacer een kritiek is van de staat
(we komen daarop terug). In de laatste alinea is Agamben nog duidelijker: “Dit
boek, dat aanvankelijk bedoeld was als antwoord op de dodelijke mystificatie
van een nieuwe wereldorde moest daarom ingaan op vraagstukken – ten eerste
dat van de heiligheid van het leven – die niet meteen voorzien
waren.” [7] De laatste regels van de inleiding zeggen dat alle begrippen
van de menswetenschappen in dit domein moeten worden herzien – “in het
licht van de aandringende catastrofe”, “dans
l’urgence de la catastrophe.” Laten we het eerste boek en de hele cyclus
herlezen vanuit die vingerwijzing – het gaat uiteindelijk om een antwoord
op de bloedige mystificaties van de Nieuwe Wereldorde – en vanuit die
urgentie.
Het
eerste deel over de soevereine macht en het naakte leven vertrekt van het
onderscheid dat de Grieken maakten tussen zoè
of het natuurlijke leven, en bios of
de gekwalificeerde, culturele levensvorm. Tegenover het ‘ware’ gepolitiseerde
leven in de polis of in een gemeenschap staat het feitelijke, animale
functioneren van het levend organisme zonder meer. Tegenover het publieke,
waarbinnen het leven betekenis krijgt, staat het ‘private’ – hier begrepen
als datgene wat niet bestaat voor anderen en geen betekenis en waarde draagt.
Met Foucault stelt Agamben dat biopolitiek – dat wil zeggen: het ingrijpen
van de macht op het lichamelijke, biologische leven van mensen – de
basisvorm is van de moderne politiek. Uit een scherpzinnige analyse van de
paradox van de soevereiniteit in het eerste deel van zijn boek, leidt Agamben
af dat de soevereiniteit uiteindelijk de macht is over het naakte leven: het
recht over leven en dood van de onderdanen, wat in de uitzonderingstoestand tot
uiting komt. De soevereiniteit fundeert dus niet alleen de wet, maar is vooral
het recht om de wet op te heffen en de uitzonderingstoestand af te kondigen.
(Dat is wat de nazi’s deden toen ze in 1933 aan de macht kwamen, maar tot op
heden is dit ook het recht van elke soeverein: het beschermen van de staatsorde
door, indien nodig, grondrechten zoals vrije meningsuiting op te schorten).
Daarmee herleest Agamben (vanuit Carl Schmitt) de kern van de hele politieke
filosofie van het westen: de natuurtoestand is geen toestand die aan het
sociaal contract en de geregelde maatschappij voorafgaat. Het is de
uitzonderingstoestand die altijd latent aanwezig is, als mogelijkheid van de
soevereine macht, in het hart van elk politiek systeem en elke staatsorde. De
soeverein is dus de donkere instantie waarvan de wet uitgaat, die daardoor zelf
boven of buiten de wet staat, en waarnaar de wet om zo te zeggen dus terugkeert
– de soeverein is en blijft degene die, als ‘principe’ van de wettigheid,
ook over de uitzonderingstoestand en dus over de opheffing van de wet
beslist. [8]
Aan
de soeverein, die boven de wet staat,
beantwoordt de banneling, die buiten
de wet is gesteld. En hier, in een tweede deel van het boek, verschijnt de homo sacer. Sacer benoemt datgene wat uit de ‘gewone gemeenschap’ gesloten is
en dus geen ‘gewone rechten’ en geen betekenis heeft: sacer is het leven dat gedood kan worden zonder een moord te
begaan, en dat wel geliquideerd maar zelfs niet waardig geofferd kan worden.
Agamben toont aan dat ‘de heilige mens’ aan de ban (een uitsluiting die
tegelijk een insluiting is: de afzondering van de uitzondering) is overgeleverd
omdat hij uit zowel de menselijke als de religieuze rechtsorde is verstoten. De
(politieke) vluchteling is de moderne figuur bij uitstek van deze archaïsche
ban, de reductie tot rechteloos naakt leven. De vluchteling vertoeft in een
zone waar het onderscheid tussen zoè en
bios, tussen organisch leven en een
menselijk bestaan is opgeheven. De
illegalen en de asielzoekers zijn mensen die uit de toestand van burgerschap
vallen, en gereduceerd worden tot levende organismen, tot naakt leven.
In
een derde deel ten slotte gaat Agamben nader in op de moderne biopolitiek met
als case de (extra)juridische
structuur van de concentratiekampen. Het kamp is volgens Agamben precies die
zone waar het onderscheid tussen zoè en
bios, privaat overleven en deel zijn
van het publieke, is opgeheven. Het
kamp staat buiten het recht. Het is geen gevangenis – men wordt gevangen
gezet krachtens een wet en met de rechten van de gevangene – maar een
soort enclave buiten het juridische territorium, zoals ook onze gesloten
asielcentra nabij luchthavens eigenlijk transitzone zijn, en daarom buiten het
nationaal territorium vallen, gezien er geen burgerrechten gelden. Dat in de
kampen alles mogelijk werd kan men volgens Agamben niet begrijpen door morele
verontwaardiging (over Hitlers gewillige beulen bijvoorbeeld): het is
ingesloten in wat een kamp in wezen is. Sinds de moderniteit werd de geboorte
de basis van de natie: men wordt burger van een staat door geboorte (natio). De Natie verkrijgt daardoor een biopolitieke
basis. Voor ze naar de kampen werden gevoerd, werden de joden eerst van hun
burgerrechten ontheven en ten slotte van alle rechten: ze werden gereduceerd
tot naakt leven – leven dat ‘opgeruimd’ kon worden zonder dat het doden
een moord was of een offer. [9]
Agamben
komt na zijn bespiegelingen over de donkere ‘onderkanten’ van recht en
maatschappij en over de grenzen van leven en dood tot drie boude stellingen:
“1. De oorspronkelijke politieke
relatie is de ban (de uitzonderingstoestand als zone waar binnen en buiten,
insluiting en uitsluiting zich niet onderscheiden). 2. Het fundamentele
werk van de soevereine macht is de
productie van het naakte leven als oorspronkelijk politiek element en als
drempel tussen natuur en cultuur, tussen het organische en het menselijke,
tussen zoè en bios. 3. Het kamp en niet de stad is tegenwoordig het
biopolitieke paradigma van het westen.” Deze drie stellingen geven te denken,
in de diepste betekenis van die uitdrukking. Na de lectuur van het boek is je
blik op de staat, mensenrechten, orgaantransplantatie, op het statuut van
buitenstaanders (politieke vluchtelingen en asielzoekers), kortom je beeld van
de wereld, veranderd en verscherpt. Iemand noemde Agambens Homo Sacer terecht een contrastvloeistof die in het
maatschappelijke lichaam wordt ingespoten en dingen zichtbaar maakt die
voorheen onzichtbaar waren. [10] Vandaar dat men zich niet noodzakelijk
moet vastpinnen op de epische overdrijving van de derde stelling, die de meeste
lezers mateloos ergert.
Vanuit
Moyens sans Fins kunnen we de derde
stelling beter begrijpen. In een lucide maar deprimerend sluitstuk Dans cet Exil. Journal italien 1992-1994,
stelt Agamben eerst dat de mensen in de kampen absoluut privaat bestaan (ze
vallen samen met hun biologische identiteit) en ze tegelijk geen enkel
privé-domein meer hebben. Vervolgens stelt hij dat het ineenvloeien van
privé-sfeer en publieke sfeer – en dus het verdwijnen van de
privé-sfeer – een dagelijkse realiteit aan het worden is: “De fenomenen
van corruptie, bijvoorbeeld, zijn het publieke of private gebeurtenissen? Ik
geef toe dat ik het niet weet. En als het terrorisme werkelijk een reëel moment
van onze recente politieke geschiedenis is geweest, hoe komt het dan dat het
ons bewustzijn slechts raakt via de innerlijke geschiedenis van enkele
individuen, in de hoedanigheid van spijt, schuldgevoel, bekering? Aan dit
verglijden van het publieke in het private beantwoordt de spectaculaire
publiciteit van het private: de borstkanker van de vedette of de dood van
Ayrton Senna: zijn dat private of publieke histories? En hoe het lichaam van de
pornoster aanraken, waar geen centimeter niet publiek is? Maar het is van deze
zone van indifferentie, waarin de acties van de menselijke ervaring worden
uitverkocht, dat we vandaag de dag moeten vertrekken. En indien we deze
ondoordringbare zone van het ononderscheidbare kamp noemen, dan is het steeds
van het kamp dat we moeten vertrekken.” [11]
Agamben
lijkt zich in Homo Sacer I misschien
te verliezen in de analyse van archaïsche begrippen zoals sacraliteit en van
archaïsche verhoudingen, maar in feite schrijft hij een archeologie van het
heden. De aandachtige lezer blijft na zijn lectuur de illegalen die rondzwerven
in onze steden en gemeenten zien als de incarnatie van het ‘naakte leven’, kan
niet vergeten hoe de reclame en de media ons privé-leven meer en meer
binnendringen en het private meer en meer spectaculariseren. Een fenomeen als Big Brother is paradigmatisch: de
gemediatiseerde vervloeiing van privé en publiek in wat bijna letterlijk een
‘kampsituatie’ is. En dan is er nog Guantanamo: de naam van het nieuwe
concentratiekamp en als zodanig het embleem van de uitzonderingstoestand die de
regering Bush overal waar mogelijk instelt. Agamben heeft ondertussen in dit
verband zeer uitdrukkelijk naar Guantanamo verwezen.
2. De uitzonderingstoestand (Deel
II, 1)
Etat d’Exception vertrekt van de vaststelling dat er van de uitzonderingstoestand
tot nog toe geen coherente theorie bestaat, omdat de juristen deze beschouwden
als een feitelijkheid buiten het recht. Het gaat inderdaad om een paradox: de
uitzonderingstoestand is een vorm van wettelijkheid die geen wettelijke vorm
kan hebben. De uitzonderingstoestand is de opheffing van de wettelijke orde om
de wettelijkheid te redden, een desintegratie van de Staat om de Staat te
verdedigen. De uitzonderingstoestand staat in nauwe relatie met de
burgeroorlog, omdat hij een antwoord is op extreme interne onrust. Het nazisme
kan begrepen worden als een twaalf jaar durende uitzonderingstoestand, of zelfs
als legale burgeroorlog (wellicht een thema van het tweede of misschien derde
volume van deel II). Agambens hypothese luidt dat “de uitzonderingstoestand er
toe neigt meer en meer het dominante paradigma van regeren te worden in de
hedendaagse politiek”. [12] Vervolgens geeft hij het voorbeeld van de patriot act en van Guantanamo. “De
onmiddellijk biopolitieke betekenis van de uitzonderingstoestand als
oorspronkelijke structuur waar het recht het levende insluit door zijn eigen
opheffing, verschijnt duidelijk in de military
order uitgevaardigd door de president van de Verenigde Staten de 13de
november 2001, die de indefinite
detention toelaat [...] van niet-staatsburgers die verdacht worden van
deelname aan terroristische activiteiten.” [13] Daarmee wordt volgens
Agamben het juridische statuut van het individu uitgewist en wordt een
“juridisch onbenoembaar en onklasseerbaar subject” gecreëerd. De detainees van Guantanamo zijn noch
krijgsgevangenen die onder de conventie van Genève vallen, noch beschuldigden
die ressorteren onder de Amerikaanse wet. [14] De situatie van de
ingezetenen van Guantanamo kan alleen vergeleken worden met die van de joden in
de Lager: als naakt leven buiten het
recht. Daarmee trekt Agamben zijn hypothese van het kamp als paradigma samen
met die van de uitzonderingstoestand. Men kan vermoeden dat, in de Homo Sacer-cyclus, de hypothese van de
uitzonderingstoestand als planetair paradigma die van het kamp zal verdringen,
omdat ze beter verdedigbaar is en gemakkelijker veralgemeenbaar.
De
‘staat van beleg’ (état de siège) is
een andere naam voor de uitzonderingstoestand. Agamben legt er de nadruk op dat
de moderne uitzonderingstoestand uit de democratisch-revolutionaire traditie
komt en niet uit het absolutisme. Hij citeert uit de grondwet van na de Franse
Revolutie (22 frimaire van het jaar VIII, art. 92): “In het geval van
gewapende revolte of onlusten die de veiligheid van de staat zouden bedreigen,
kan de wet, op de plaatsen en voor de tijd die zij bepaalt, de grondwet
opheffen [suspendre l’empire de la constitution].” [15] Een van de
basisproblemen in verband met de uitzonderingstoestand is het steeds verder
binnendringen van de uitvoerende macht in de wetgevende macht. [16] Na een
lange en onthutsende excursus “korte geschiedenis van de
uitzonderingstoestand”, waarin hij toont dat sinds de Eerste Wereldoorlog de
uitzonderingstoestand niet alleen het fascisme en het nationaal-socialisme
kenmerkt, maar dat ook in Amerika en Engeland elementen van de
uitzonderingstoestand de normale regeringsvormen binnendringen, besluit Agamben
met de volgende stelling: “Bush is bezig met een toestand te creëren waarin de
nood de regel wordt en het onderscheid tussen vrede en oorlog (en tussen
externe oorlog en mondiale burgeroorlog) onmogelijk wordt.” [17] Agamben
spreekt zich zelden zo expliciet uit. Inderdaad kan men de War on Terrorism beter begrijpen als een uitzonderingstoestand die
is uitgeroepen over de hele planeet; en dit is mogelijk omdat de VS de facto de wereldsoeverein zijn en nu
ook uitdrukkelijk naar de macht grijpen door de internationale wereldorde van
de VN omver te werpen en preventieve oorlogen te voeren tegen zogenaamde schurkenstaten. [18]
Agamben
ontwikkelt hier een ware archeologie van de uitzonderingstoestand aan de hand
van historisch materiaal, voornamelijk van het Romeins Recht, en commentaren,
met Carl Schmitt en Benjamin als leidraden. Eerst behandelt hij de vraag of de
uitzonderingstoestand nu een politiek of een juridisch fenomeen is, en dus of
hij binnen of buiten het recht valt, en daarna gaat hij in op de categorie van
de nood of de noodzaak die volgens de politieke theologie en rechtstheorie de
uitzondering rechtvaardigt (‘nood breekt wet’). Voor de Middeleeuwen valt de
uitzondering buiten de wet, terwijl
de moderne theorieën pogen de uitzonderingstoestand in het recht in te sluiten,
waardoor ze een zone van onbepaaldheid creëren. Zo komt Agamben tot de wat maniëristische
formule: Force-de loi (met
gedachtestreepje en loi doorstreept
met x-kruis): het woord van de soeverein/dictator heeft kracht van wet juist
omdat de wet niet van kracht is.
Agamben
begrijpt de uitzonderingstoestand in zijn moderne variant als geproduceerd door
het moderne recht en de democratische Staat (onder het teruggrijpen op het
Romeins recht). Met betrekking tot wat hij “de machine van de
uitzonderingstoestand” noemt, komt Agamben tot de volgende conclusie: “[...]
wat wij hebben willen aantonen is precies dat zij bijna zonder onderbreking is
blijven functioneren vanaf de Eerste Wereldoorlog, via het fascisme en het
nationaal-socialisme, tot op onze dagen. De uitzonderingstoestand heeft vandaag
zelfs zijn meest brede planetaire ontplooiing gevonden. Het normatieve aspect
van het recht kan zo straffeloos worden vergeten en tegengesproken door
regeringsgeweld, dat extern het internationaal recht miskent en dat intern een
permanente uitzonderingstoestand creëert, en toch beweert nog steeds het recht
toe te passen.” [19] Agamben spreekt duidelijk over de regering Bush
zonder ze te noemen, over de illegale oorlog tegen en de bezetting van Irak, en
over de Patriot Act die vele
burgerrechten opschort. We kunnen onze interpretatie dus nog verscherpen: Homo Sacer is een project tegen de nieuwe
Amerikaanse imperiale wereldorde. Ze beschouwt die zeker als de
gevaarlijkste aanstichter van de planetaire uitzonderingstoestand. Maar de
cyclus in zijn geheel is vanzelfsprekend ook veel meer, juist door de detaillering
van de microanalyses en door het alomvattende van de vluchtlijnen waarop de
hele denkbeweging is gericht.
Wat
Agamben probeert te denken is onze nieuwe politieke conditie. Luidens een erg
duidelijke formulering uit de filosofische dagboeknotities Dans cet exil, die Moyens
sans Fins afsluiten, is de huidige politieke conditie alleen te begrijpen
als een extreme verwarring tussen het
politieke en het private: “Leven in de uitzonderingstoestand die de regel
is geworden betekent dat het onderscheid tussen ons eigen biologische lichaam
en ons politieke lichaam vervalt, dat ervaringen die men vroeger politiek
noemde onverhoeds naar ons biologische lichaam worden afgeleid en dat private
ervaringen zich plotseling aandienen buiten ons, als politiek lichaam. We
hebben eraan moeten wennen te denken en te schrijven in deze verwarring van
lichamen en plaatsen, van binnen en buiten, van wat stom is en wat taal heeft,
van wat slaaf is en wat vrij is, van wat behoefte is en wat begeerte. Dit
betekent – waarom het niet toegeven – de ervaring opdoen van een
absolute onmacht, en telkens opnieuw geconfronteerd worden met eenzaamheid en
zwijgen precies daar waar we ons aan gemeenschap en taal hadden verwacht. [...]
Maar het is vanuit dit onzeker terrein, deze duistere zone van indifferentie,
dat we vandaag de dag de weg moeten terugvinden naar een andere politiek, een
ander lichaam, een ander spreken. Ik zou onder geen beding deze indistinctie
tussen publiek en privé, biologisch en politiek lichaam, zoè en bios willen opgeven. [...] Alleen een politiek die vertrekt
van dit bewustzijn kan mij interesseren.” [20] Deze onmacht en deze
wanhoop is de grond van Agambens herlezing van de messianistische traditie, die
een traditie is van de hoop. Het is, volgens de messianistische traditie, juist
vanuit en in de wanhopige, meest ‘gevallen’ of gevaarlijke toestand dat voor de
schepselen de redding onderweg is.
3. Het Messiaans antinomisme en de
ware uitzonderingstoestand
Ce qui reste d’ Auschwitz, het derde deel van de cyclus, betoogt op basis van
een analyse van ‘de muselman’, of de ten dode opgeschreven levende doden van de
kampen, dat de zogenaamde menselijke waardigheid geen basis meer kan zijn voor
een ethiek na Auschwitz. Dit boek is zo mogelijk nog donkerder dan het eerste
deel van Homo Sacer. Het vormt meteen
ook een afrekening met het revisionisme, door juist de onmogelijkheid van een
volledige ‘getuigenis’ van de kampen aan te tonen. De muselman is voor Agamben
een extreme figuur: het is de enige volledige getuige – die nochtans niet
meer kan spreken. In een geheel benjaminiaanse, messianistische zin tracht
Agamben te tonen dat precies daarin, in de extreme vernedering, de kiem zit
voor een ethiek na Auschwitz. Het boek heeft ook al heel wat stof doen opwaaien
en heeft zelfs al een tegenboek uitgelokt: Giorgio
Agamben à l’epreuve d’Auschwitz, van Philippe Mesnard en Claudine
Kahan. [21]
De Homo Sacer-cyclus is ook een meditatie
over het woekeren van het recht, over het opslorpen van het leven en de
politiek door het juridische. En hier komt Agambens Messiaans antinomisme (tegen-wettelijkheid) boven. Wanneer hij
mediteert over de juridisering van alle maatschappelijke verhoudingen schrijft
hij: “[...] niets is meer obscuur dan deze onvoorwaardelijke kracht van de
juridische categorieën in een wereld waarin ze geen enkele begrijpelijke
ethische inhoud meer weerspiegelen: hun kracht is werkelijk zonder betekenis
[...].” [22] Deze dominantie van het recht toont volgens Agamben de
definitieve afgang van de christelijke ethiek van de liefde die de mensen
verbindt. Hij lijkt daarmee te willen zeggen dat de corporatistische,
solidaire, caritatieve samenleving waar de religie het sociale bindmiddel bij
uitstek is, definitief achter ons ligt. Maar ook de kerk heeft het messianisme
verraden. Want in het messianisme stoot de religie op het probleem van de wet.
Christus zegt: “ik ben niet gekomen om de wet te ontmantelen maar om haar te
voltooien” en Sabatai Zevi, de joodse Messias, heeft gezegd: “de voltooiing van
de wet is zijn overtreding.” Over de thora van de verlossing, die de verboden
van de thora van de zondeval achter zich laat, vindt men bij Scholem nog de
volgende kaballistische uitspraak: “waar alles heilig is, vallen de verboden af
als schalen.”
Agamben
herhaalt steeds dat de wet ‘geldig’ is, maar tegelijk nergens op steunt. Zijn
verzet tegen dit gelden van de wet is een van de kenmerken van de Messiaanse
traditie. Agamben bespreekt het Messiaanse antinomisme reeds in een
ongepubliceerde lezing over de verhouding van de Messias tot de thora bij
Benjamin, Kafka en Scholem, uit het begin van de jaren negentig: The Messiah and the Sovereign. Ook in Moyens sans Fins is het antinomische
thema sterk aanwezig. “De taak die het messianisme toevertrouwd had aan de
moderne politiek – een menselijke gemeenschap denken die geen (louter)
wettelijke vorm zou hebben – wacht nog op de geesten die deze op zich
zullen nemen.” [23]
Agambens
boek over Paulus, Le Temps qui reste,
is een duidelijke aanzet tot die taak, en staat duidelijk in verband met de Homo Sacer-cyclus, juist in de
beschouwingen over de wet. De wet moet volgens Paulus ‘voorbijgestreefd’
worden: tegelijk opgeheven en voltooid (cathargein)
door het geloof en de liefde. [24] Wat Agamben op het oog heeft, lijkt op
een catharsis van de om zich heen grijpende juridisering van het
maatschappelijke, politieke en het dagelijkse leven, een opheffing van de wet
met het oog op een ware, messianistische uitzonderingstoestand. “Een
gerechtigheid zonder wet is niet de negatie, maar de realisatie en de
voltooiing [...] van de wet.” [25] Het is een sprong in het mystieke
oxymoron, de messianistische coincidentia
oppositorum. Misschien heeft het hedendaagse denken die sprong weer
broodnodig. Men kan hier de vergelijking maken met Derrida in zijn Prière d’insérer, het voorwoord tot Voyous, waarin hij ronduit zegt dat, als
er schurkenstaten zijn, dan in de eerste plaats de Verenigde Staten van
Amerika. Over de “force faible” (een duidelijke referentie naar Benjamins
zwakke Messiaanse kracht die van generatie tot generatie wordt doorgegeven
– en een begrip waarvan Agamben aantoonde dat het teruggaat tot Paulus)
zegt hij: “Wat zich hier doet gelden, zou een Messiaanse geloofsdaad
kunnen zijn – onreligieus en zonder messianisme (…) Op dit appèl rust alle
hoop, zeker, maar dit appèl blijft, op zich, zonder hoop. Niet wanhopig, maar
vreemd aan elke teleologie, aan de hoop en het heil van de redding. Niet vreemd
aan het heil van de andere, niet vreemd aan het afscheid en de gerechtigheid,
maar toch nog rebels tegen de economie van de verlossing.” [26] En toch
heeft die messianistische uitzonderingstoestand of deze utopie zonder blauwdruk
zoals ze bij Agamben verschijnt iets beangstigends.
4. De eclips van de politiek
Voor we ons kunnen wagen aan een anticiperende
reconstructie van Deel IV moeten we stilstaan bij een onderliggend thema
van de hele cyclus: de eclips van de politiek. De flaptekst van Moyens sans Fins (die ongetwijfeld door
de auteur zelf geschreven is) stelt het zo: “Indien de politiek vandaag de dag
een langdurige eclips lijkt door te maken, waarin ze ondergeschikt lijkt aan de
religie, de economie en zelfs het recht, dan is dat omdat ze, precies in de
mate waarin ze haar eigen ontologische rang is vergeten, verzuimd heeft zich te
confronteren met de transformaties die haar concepten en haar categorieën
stelselmatig hebben uitgehold.”
Vandaar
dat alles moet herzien en herdacht worden. De staat en zijn ontbinding staan
centraal, en ook het einde van de geschiedenis. Wat Agamben op het oog heeft is
het denken van “une politique non étatique” – “een niet staatsgebonden
politiek”. [27] Want dat is de taak van het denken volgens hem: het denken
niet alleen van een post-histoire met
behoud van de staat of een postetatisme met behoud van de geschiedenis, maar
een posthistorische én postetatistische politiek. [28] Met een referentie
naar Hegel en Kojève zegt Agamben daarover: “de toe-eigening van de
historiciteit kan niet nog eens een etatistische vorm aannemen – de Staat
is niets anders dan de vooronderstelling en de representatie van de arche van de geschiedenis voorzover die
verborgen blijft – maar moet het veld ruimen voor een menselijk leven en
een politiek, die non-etatistisch en niet-juridisch zijn en die nog helemaal
moeten uitgedacht worden.” [29] Dit alles is vanzelfsprekend nog niets
meer dan een programma, maar het programma is wel duidelijk. Reeds in La Communauté qui vient (de gemeenschap
die komt, uit 1990) luidde het zo: “[...] de nieuwigheid van de politiek die
komt, is dat ze niet langer een strijd zal zijn voor de verovering of de
controle van de Staat, maar een strijd tussen de Staat en de niet-staat (de
mensheid), een onherstelbare disjunctie van de onbepaalde singulariteiten en de
etatistische organisatie.” [30] Deze zin lijkt wel de kern te bevatten van
de oppositie die Negri, samen met Hardt, zoveel jaren later breed heeft
uitgewerkt in Empire: de finale
politieke oppositie tussen “de multitude”, de menigte van creatieve
producenten, en het drieledige imperium (als synthese van monarchie: VS, aristocratie:
IMF, Wereldbank, transnationale bedrijven, en democratie: VN, pers, religies, publieke opinie, NGO’s). Ook voor
Agamben is het de komende gemeenschap (als verzameling van onbepaalde
singulariteiten of van singularités
quelconques) die het moet opnemen tegen het nieuwe gemilitariseerde
kapitalisme. Hoe en wat blijft echter ongewis. Wel is duidelijk dat Agamben
hiermee veel dichter zit bij de andersglobaliseringsbeweging dan hij misschien
zelf vermoedt of zou willen toegeven. Wat bij hem de “onbepaalde
singulariteiten” heet (de onvervreemdbare potentialiteit van de individuen) en
bij Negri de “multitude”, heet bij de andersglobalisten de “civil society”, die
veelvormig is maar wel gedragen wordt door de vredesbeweging, de vakbonden, activistische
verenigingen allerhande en de door beide auteurs zo gewantrouwde
NGO’s. [31]
Maar
men kan vermoeden dat wat Agamben aan het eind van La Communauté qui vient schrijft over Tienamien, ook door de andersglobaliseringsbeweging
zou worden herkend en erkend. “De onbepaalde singulariteit die zijn
‘behoren-tot’ (l’appartenance même)
zelf wil toe-eigenen, zijn eigen ‘in-de-taal-zijn’ en die van dan af elke
identiteit en elk lidmaatschap (condition
d’appartenance) verwerpt, is de voornaamste vijand van de staat. Overal
waar deze singulariteiten hun gemeenschappelijkheid vreedzaam zullen
manifesteren, zal er een Tienamien zijn en zullen, vroeg of laat, de tanks
verschijnen.” [32] Misschien verklaart Agamben hier reeds, in 1990, het
bijna onverklaarbare disproportionele geweld waarmee de manifestaties van de
anders-globalisering intussen bestreden worden. In Agambens denken benoemt het
begrip ‘levensvorm’ de contouren van een postetatische en posthistorische
politiek.
5. Levensvorm en potentialiteit
(Deel IV)
Tegenover het onderscheid tussen zoè en bios, dat het
essay Forme-de-vie uit 1993 en
daarmee de hele Homo Sacer-cyclus
opent, stelt Agamben het begrip levensvorm:
een levensvorm (forme-de-vie) is de
onlosmakelijkheid van het leven van zijn vorm. De levensvorm kenmerkt de mens,
omdat het leven van een mens niet bestaat uit feiten maar uit mogelijkheden.
Mensen zijn niet biologisch gedetermineerd tot een bepaald leven, hun
levensvorm is altijd, ondanks conventie en sociale druk, pure potentialiteit.
Hier keert een thema terug uit Agambens vorige boeken. De pure potentialiteit is verwant met de singularité quelconque uit La Communauté
qui vient, met de weigering om iets specifieks te doen uit Bartléby et la création, met de roeping
als herroeping van alle roepingen uit het boek over Paulus.
‘Normaal’
is elk leven onlosmakelijk van zijn vorm, maar de uitzonderingstoestand maakt
het leven los van zijn vorm, en reduceert het tot ‘naakt leven’. De politieke
macht of de soevereiniteit steunt in laatste instantie op het naakte leven van
de onderdanen (het recht over leven en dood) veeleer dan op een ‘algemene wil’.
De functie van de uitzonderingstoestand is precies de productie van dergelijk
naakt leven als basis voor de politieke macht. “Het leven in de uitzonderingstoestand
die de regel is geworden is het naakte leven dat op alle domeinen de vormen van
het leven (les formes de vie) scheidt
van hun cohesie binnen de levensvormen (formes-de-vie).” [33]
Volgens Agamben is het marxistische onderscheid tussen mens en burger vervangen
door het onderscheid tussen “het naakte leven, als ultieme en opake drager van
de soevereiniteit en de veelvoudige vormen van leven die abstract
‘gerecodificeerd’ zijn in juridisch-sociologische entiteiten: de consument, de
kiezer, de student, de werkende, de vrouw, de seropositief enzovoort.” Het
zuiver biologische leven, waarover de bio-ethiek en de wetenschap spreken, is
volgens hem een geseculariseerd politiek concept. Een politiek leven of
– geheel aristoteliaans en benjaminiaans volgens Agamben – een leven
dat gericht is op geluk, kan alleen gedacht worden voorbij de scheiding tussen zoè en bios, en dus vanuit de “exodus uit elke soevereiniteit”. [34]
Volgens hem kan dat alleen als we een leven kunnen denken dat onlosmakelijk is
van zijn vorm: een leven van de potentialiteit (une vie de la puissance [35]). Hij schuift het denken als
mogelijkheid, als pure potentialiteit naar voor. En in die potentialiteit van
het receptieve denken kan iets ontstaan als een levensvorm waaruit het naakte
leven niet kan geïsoleerd worden. [36] Deze ervaring is volgens hem altijd
een gemeenschappelijke ervaring. Gemeenschap en potentialiteit overlappen
elkaar helemaal: gemeenschap gaat niet over communauteit of over communicatie
maar over communiceerbaarheid als zodanig.
Hoe
kunnen we dit begrijpen? In Notes sur la
politique, het ‘ondertitelessay’ uit Moyens
sans Fins, mediteert Agamben verder over deze ‘zuivere medialiteit’, die al
sinds Enfance et Histoire een bijna
obsessioneel thema is in zijn werk, en die teruggaat op Benjamins taalopstel
waarin de zuivere taal haar eigen taal-zijn meedeelt en niets anders. Dat is de
ervaring van de taal, het experimentum
linguae dat steeds weer opduikt in Agambens werk. Zoals we niet met de taal
iets zeggen, maar aan haar deelhebben en talig zijn, zo zijn we ‘politiek’:
politiek is niet het domein van de middelen, maar van de deelname zelf aan de
polis. De politiek is het medium van
de polis: geen middel maar een midden, een milieu dat ons omvat. En elke nieuwe
politieke daad (zoals voor McLuhan elk nieuw medium) verandert de totale mens
(zoals bijvoorbeeld de auto onze steden en ons landschap en ons leven helemaal
heeft veranderd). Van daaruit worden Agambens definities van de politiek
begrijpelijk: “De politiek is de sfeer van de zuivere middelen
[...]”. [37] Of nog: “De politiek is de vertoning van een medialiteit, ze
toont een middel als zodanig.” [38] Met andere woorden: de polis is doel
op zich.
Vooralsnog blijven deze gedachten van
Agamben, hoe alomtegenwoordig ook in zijn oeuvre, schimmig en wordt het verband
ertussen nergens concreet. Hijzelf maakt niet duidelijk of en hoe ze leiden
naar concreet politiek verzet. Als we, als voorbarige synthese, de derridiaanse
maniërismen die in twee formules aan het licht komen (en die wellicht ook een
beetje als parodie bedoeld zijn) als vingerwijzing mogen nemen, dan zou men
kunnen zeggen: formes-de-vie, de
grafische formule uit Moyens sans Fins
(en uit Deel IV), is het antwoord op Force-de-loi
uit Etat d’Exception. Het is op het
moment dat de kracht van de wet nog werkt en misschien meer dan ooit, maar de
wet zelf niet (want opgeheven in de uitzonderingstoestand), dat we zullen
moeten zoeken naar levensvormen die niet reduceerbaar zijn tot naakt leven, en
dus naar een postetatistische en ook postjuridische politiek. [39]
Agambens houding zelf lijkt die van een afkeer en inkeer, een bijna mystiek
politieke houding van afwachting, een innerlijk anarchisme tegen de instituties
en de wet, meer dan die van een concreet verzet of activisme.
6. Homo Sacer: opus magnum
(besluit)
Uit Agambens boeken kan men de hypothese afleiden dat
de regering Bush de planetaire uitzonderingstoestand heeft uitgeroepen. Het is
duidelijk dat het nieuwe beleid van de VS dit uitzonderingsbeleid aan het opstapelen
is: vele gevangenen van de oorlogen in Afghanistan en Irak worden vastgehouden
op Guantanamo Bay (Cuba), een plaats die is uitgekozen omdat ze zich buiten het
Amerikaanse grondgebied bevindt. De Regering Bush claimt dan ook dat de
Amerikaanse wetgeving op de behandeling van gevangenen er niet van toepassing
is. (Het optreden op Guantanamo is al door verschillende
mensenrechtenorganisaties op de korrel genomen.) De reeds genoemde doctrine van
‘preventieve aanval’; het opgeven van de Kyoto-akkoorden over
klimaatverandering; de afwijzing van het non-proliferatieverdrag voor
kernwapens; de Patriot Act, waardoor vele basisburgerrechten worden opgeschort
(huiszoekingen zonder huiszoekingsbevel zijn weer mogelijk); de uitwijzing
sedert 9/11 van duizenden immigranten die al jaren in de Verenigde Staten
woonden; het volslagen aan hun lot overlaten van armen en werklozen (in getto’s
zoals Skid Row in L.A.); en natuurlijk last
but not least de afwijzing van het Internationaal Strafhof in Den Haag
(kracht bijgezet door de The Hague
invasion act – indien een Amerikaans staatsburger voor het ICC
verschijnt wordt in Den Haag binnengevallen) – dit alles, deze hoogst
onrustbarende constellatie van grote en kleine feiten, van micropolitieke
overtredingen van de burgerrechten (huiszoekingen zonder huiszoekingsbevel) tot
macropolitieke overtredingen van de internationale rechtsorde (het preventief
aanvallen van als potentieel gevaarlijk bestempelde ‘schurkenstaten’), dit
alles wijst duidelijk op het feit dat het Amerikaanse exceptionalism aan het afglijden is naar een uitzonderingstoestand
(ook in de Verenigde Staten zelf). [40]
De Homo Sacer-cyclus
zou misschien aan duidelijkheid winnen als een van de delen concreter ingaat op
het heden, op de zonet al te kort geschetste Amerikaanse imperiale politiek van
de uitzondering. Met name de verhouding tussen de Staat, de afzonderlijke
(vazal)staten en de nieuwe imperiale Amerikaanse politiek (die het
internationaal recht en ook de burger- en mensenrechten heeft omvergekegeld – geheel
volgens de voorspellingen van Agambens planetaire uitzonderingstoestand,
waarvan de basisintuïtie uit 1993 stamt, dat is kort na de eerste Golfoorlog
waarmee Bush senior de nieuwe wereldorde instelde) zou meer uitwerking moeten
krijgen en concreter moeten worden in het vervolg van de cyclus. De nieuwe
verhoudingen, de nieuwe contouren van staatsmacht en vooral postetatistische
(neo-imperiale?) vormen van macht en geweld, blijven in de Homo Sacer-cyclus tot nog toe onderbelicht – wellicht moet dat
onderzoek nog gevoerd worden en zullen de komende delen het heden meer en meer
inhalen. Maar anderzijds is Agamben een filosoof en geen journalist of
historicus. Hij moet geen politieke kronieken schrijven maar instrumenten
aanreiken voor concrete politieke analyse en kritiek. En daarin maakt de cyclus
zijn belofte waar, getuige bijvoorbeeld de invloed van Agambens Homo Sacer op het urbanistisch
vertoog. [41] Agamben heeft het heden in zekere zin voorspeld. De nogal
orakelachtige uitdrukking “de bloedige mystificaties van de nieuwe wereldorde”
uit 1995, is pas sinds kort echt duidelijk geworden: ‘bloedig’ is in deze
periode zeker geen stilistische uitschuiver of overspannen metafoor, en het
begrip ‘mystificatie’ heeft onvermoede betekenissen gekregen en nieuwe hoogten
bereikt – er zijn al ettelijke boeken en honderden webpagina’s gewijd aan
de ‘web of lies’ dat rond de illegale invasie van Irak is geweven. Omdat
Agamben steeds opnieuw het verband toont tussen de opkomst van de biopolitiek,
van het naakte leven als de steeds verdergaande vermenging van het private en
het publieke, de verwarring tussen ons biologisch lichaam en ons politiek
lichaam enerzijds en de niet meer te loochenen planetaire uitzonderingstoestand
anderzijds, is deze cyclus, die zonder meer Agambens opus magnum aan het worden is, nu al een van de belangrijkste
filosofische bijdragen tot een begin van inzicht in de politieke, militaire en
dus ook de terroristische catastrofes die ons overkomen. De cyclus is daarom
een essentieel object van studie om te begrijpen wat er met de wereld aan het
gebeuren is, zowel op micro- als op macropolitiek niveau. En misschien zal de
cyclus uiteindelijk ook een sleutel bevatten tot verzet; een strategie, hoe
filosofisch of messianistisch ook, om het onheil dat ons overal omringt en
daarom machteloos maakt, af te wenden.
Noten
[1] Giorgio
Agamben, Homo Sacer, le pouvoir
souverain et la vie nue, Paris, Editions du Seuil, 1997 (in 1995 in het
Italiaans, in 1997 in het Frans, in 2002 in het Nederlands).
[2] Giorgio Agamben,
Ce qui reste d’Auschwitz, Paris,
Editions Payot & Rivages, 1999 (2003 in het Italiaans en het Frans).
[3] “As for Homo Sacer,
the whole project will have four sections. The first one is Homo sacer 1 (the sovereign power and
bare life). The second volume will contain a series of genealogical enquiries
(on state of exception, civil war, oikonomia, zoè etc). Of this only the first
chapter has just been published in French and Italian (Stato di eccezione, Etat
d’exception). The third section is the book on Auschwitz (on ethics and
testimony). The final and fourth section will contain the pars construens of the work, on form of life, etc. and it will try
to define a life inseparable from its form.” (e-mail van Giorgio Agamben aan de auteur,
4 november 2003).
[4] Giorgio
Agamben, Moyens sans Fins. Notes sur la
politique, Paris, Payot & Rivages, 1995. Het boek verscheen
eerst in het Frans, tot Agambens eigen verbazing en ergernis – de
Italiaanse uitgever durfde er zich volgens hem niet aan wagen. Omdat we weten
dat de tekst Que est ce camp?, die
Homo Sacer afsluit, daarin eerst verscheen en de uitdrukking ‘zuiver middel’ of
‘middel zonder doel’ terug opduikt in het deel over de uitzonderingstoestand,
en het onderscheid tussen zoè en bios het boek opent, en nu dus ook de
embryonale gedachtegang bevat omtrent levensvormen dat het vierde deel zal
vormen – om al die redenen (en er zijn er nog meer) kunnen we besluiten
dat Moyens sans Fins een echte
ouverture is, een soort miniatuur of voorpresentatie van de thema’s van de
werken (de opera) die zullen volgen.
In het voorwoord wordt dat inderdaad met zoveel woorden gesteld: “De teksten
uit deze bundel verwijzen, op verschillende manieren en al naar gelang de
gelegenheden die hen hebben voortgebracht, naar een nog open bouwwerf [chantier
encore ouvert], soms geven ze daarvan vooraf de oorspronkelijke kerngedachten
[les noyaux originaux] en soms bieden ze fragmenten en flitsen. Zelfs al zijn
ze bestemd om slechts hun volle betekenis te krijgen in het voltooide werk, het
is niet uitgesloten dat dit laatste in hen zijn meest gelukkige formulering
vindt.” (Moyens sans Fins,
p. 8). Dus echt en heel letterlijk een ouverture. En in die zin is het een
proloog, de eerste schetsmatige presentatie, de maquette van de gehele cyclus.
[5] Dus: 0. Moyens sans Fins; 1. Homo Sacer I; 2. Etat d’Exception, Homo Sacer II, 1; 3. ? [over de burgeroorlog]; 4.
[oikonomia]; 5. Ce qui reste d’Auschwitz
(III); 6. [Forme-de-vie]. Verder zijn belangrijk voor onze lectuur: La Communauté qui vient, Paris, Seuil,
1990; en Le Temps qui reste, un
commentaire de l’Epître aux Romains (over Paulus), Paris, Editions Payot
& Rivages, 2000. Maar ze behoren als zodanig
niet tot de cyclus.
[6] Homo Sacer I, Franse versie,
p. 20 / Nederlandse versie, Homo
Sacer. De soevereine macht en het naakte leven, Amsterdam, Boom/Parrèsia,
2002, p. 18.
[7] In het
Frans staat er “les mystifications sanglantes d’un nouvel ordre planétaire”,
dat ik zou vertalen als “de bloedige mystificaties van een nieuwe wereldorde”,
en dit levert meteen de titel van mijn tekst (Homo Sacer, p. 20).
[8] Het is
daarom dat volgens Agamben de politie, die de wet handhaaft, ook altijd aan de
rand van de wet staat.
[9] ‘Holocaust’,
dat een religieus-bijbelse oorsprong heeft, is volgens Agamben dan ook een
verkeerd woord: men kan het afgrijselijke van de uitroeiingskampen niet
begrijpen in religieuze termen.
[10] Henk
Oosterling, in de discussie tijdens het colloquium op de Erasmus Universiteit
Rotterdam (11 november 2003).
[11] Agamben,
op cit. (noot 4), p. 133.
[12] Giorgio
Agamben, Etat d’Exception: Homo Sacer II,
1 , Paris, Seuil, 2003, p. 12.
[13] Ibid.,
p. 13.
[14] Een
schandaal dat intussen ook de wereldpers heeft gehaald en door verscheidene
mensenrechtenorganisaties is aangeklaagd.
[15] Agamben,
op. cit. (noot 12), p. 16.
[16] Ibid.,
p. 18.
[17] Ibid.,
p. 41.
[18] Dit is
het programma dat openlijk beleden wordt door de denktank The Project for the New American Century, met als ondertekenaars
Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz. Het gaat erom zowel intern als extern de
“American pre-eminence” te verstevigen (een “benevolent hegemony”) en dit via
“Multiple simultaneous Major theater wars”; verder gaat het erom iedereen,
zowel bondgenoten als vijanden, de “Pax Americana” op te leggen, wat mogelijk
is geworden door de “catalysing, catastrofic event, a new pearl harbor”; en,
zoals het rapport van de PNAC in 2000 stelt, is het erom te doen een
exponentiële groei van het defensiebudget mogelijk te maken (een jaar later is
die er gekomen – door 9/11) en het programma van werelddominantie uit te
voeren. Zie daarover mijn tekst The Project for a New American Century. Naar een nieuwe imperiale
wereldorde, in AS Mediatijdschrift, 166, april, mei, juni 2003, pp. 116-124;
zie ook www.oxumoron.org of www.brusselstribunal.org. Het BRussells Tribunal
zal precies de PNAC en de nieuwe imperiale wereldorde onder de loep nemen.
[19] Agamben,
op. cit. (noot 12), p. 146.
[20] Agamben,
op. cit. (noot 4), p. 150.
[21] Ce qui reste d’Auschwitz is echter een
echte microanalyse die voor onze gedachtegang niet cruciaal lijkt en waaraan we
dus wegens plaatsgebrek en ook – waarom het inderdaad niet toegeven –
uit sprakeloosheid snel overheen gaan.
[22] Agamben,
op. cit. (noot 4), p. 144.
[23] Ibid.,
p. 146.
[24] Giorgio
Agamben, Le Temps qui reste, op. cit.
(noot 5), p. 156.
[25] Ibid.,
pp. 169, 171.
[26] “Ce qui
s’affirme ici, ce serait un acte de foi messianique – irréligieux et sans
messianisme [...] A cet appel se confient tous l’espoirs, certes, mais l’appel
reste, en lui-même, sans espoir. Non pas désespéré mais étranger à la
téléologie, à l’espérance et au salut de salvation. Non pas étranger au salut à
l’autre, non pas étranger à l’adieu ou à la justice, mais encore rebelle à
l’économie de la rédemption.” (Jacques Derrida, Voyous, Paris, Galilée, 2003, invoegblad zonder paginering)
[27] Agamben,
op. cit. (noot 4), p. 19.
[28] Ibid.,
p. 122.
[29] Ibid.,
p. 124.
[30] Giorgio
Agamben, La Communauté qui vient,
Paris, Editions du Seuil, 1990, p. 88.
[31] Dit
miskennen van de NGO’s (hoezeer ze ook zijn geïmpliceerd in het systeem) is
parallel aan een andere contradictie die bij Negri virulent en bij Agamben
latent is. Negri is tegelijk tegen de staat en voor de welvaartstaat, en dat is
nogal moeilijk. Agamben spreekt niet over de welvaartstaat en heeft het
misschien bij het rechte eind als hij ervan uitgaat dat de welvaartstaat samen
met de staat zal ten onder gaan. Maar de welvaartstaat is de enige dam tegen
het multinationale en rabiate kapitalisme die ons nog rest en is op de keper beschouwd
het meest bevredigende sociale systeem uit de wereldgeschiedenis. Dus dat lijkt
me een blinde vlek in het werk van Agamben en in dat van Negri.
[32] Agamben,
op. cit. (noot 30), p. 90.
[33] Agamben,
op. cit. (noot 4), p. 17.
[34] Ibid., p. 19.
[35] Ibid., p. 19.
[36] Ibid., p. 20.
[37] Ibid.,
p. 71.
[38] Ibid.,
p. 129.
[39] Alleen
ben ik daar niet zo optimistisch in als Agamben (of Derrida): “de ruimte van de
postciviele samenleving”, naar de onovertroffen uitdrukking van Fredric
Jameson, is ook en vooral postpolitiek. Ik geloof niet dat de ware,
messianistische uitzonderingstoestand zal groeien (of kan gepuurd worden) uit
de uitzonderingstoestand die romdom ons aan het ontstaan is.
[40] Zie daarover mijn tekst The Project for a New American Century. Naar een
nieuwe imperiale wereldorde, op.
cit. (noot 18); alsook het opiniestuk Welkom
in de Nieuwe Imperiale Wereldorde, in De
Standaard, 26 juni 2003. (Het
zal onder die titel gebundeld worden met zes andere artikelen geschreven na
9/11 en, net als de eerstgenoemde tekst, opgenomen worden in The Capsular Civilisation (NAi
Publishers, 2004).
[41] Territories.
Island, Camps and Other States of Utopia (cat.), Berlin, KW
– Institute for Contemporary Art, 2003. Deze tentoonstelling was ook te zien in Witte De With
(Rotterdam). Sommige bijdragen gaan expliciet in op het werk van Agamben.
Deze tekst gaat terug op een
lezing gehouden op het symposium over Homo Sacer (deel 1) aan de
Erasmusuniversiteit te Rotterdam op 11 november 2003. De tekst kan niet
los gezien worden van het BRussells tribunal, een onderzoekscommissie over de
Nieuwe Imperiale Wereldorde, en meer bepaald over ‘the Project for the New
American Century’ (PNAC), de neoconservatieve denktank achter de oorlogslogica
van de regering Bush. De PNAC pleit voor Amerikaanse hegemonie en
‘exceptionalism’. Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz zijn medeondertekenaars van het
PNAC-mission statement. Het BRussells tribunal, waaraan tal van internationale
specialisten hun medewerking zullen verlenen, zoals Ramsey Clark, Scott Ritter,
Michael Parenti en Immanuel Wallerstein, vindt plaats van 14 tot 17 april in de
Beursschouwburg en Les Halles (voor alle informatie zie:
www.brusselstribunal.org).